Dakloosheid in Europa blijft stijgen: ‘Het is een crisis’

Europese Unie Het aantal mensen dat op straat leeft in de EU blijft stijgen, onder meer door het tekort aan betaalbare woningen. Organisaties vrezen voor de invloed van de coronapandemie en de oorlog in Oekraïne.

4 augustus 2022

Leestijd 5 minuten

Dakloosheid in Europa is een groeiend probleem. Een crisis. Sterker nog: „een structureel defect.” De Franse jurist Sarah Coupechoux klinkt resoluut. Ze werkt voor de Franse Fondation Abbé Pierre, die samen met het EU-brede samenwerkingsverband FEANTSA onderzoek doet naar dakloosheid in de EU. Eind juni kwam hun jaarlijkse rapport uit. Het beeld dat hierin geschetst wordt, is niet rooskleurig. Het aantal daklozen is in de EU sinds het begin van de eeuw fors toegenomen en gevreesd wordt dat de komende jaren nog meer mensen dakloos zullen raken, als gevolg van de oververhitte woningmarkten, de oorlog in Oekraïne en een door de coronapandemie opgebouwd stuwmeer aan uitzettingsprocedures.

Harde, actuele cijfers over het precieze aantal daklozen in Europa zijn niet te vinden. Definities lopen uit elkaar, er is geen eenduidige onderzoeksmethode én niet alle lidstaten doen mee aan tellingen. Het meest recente cijfer – dat ook door de Europese instanties wordt aangehouden – betreft een inschatting van Abbé Pierre en FEANTSA uit 2019. Toen hadden op een gemiddelde avond 700.000 mensen in de EU geen vaste slaapplaats. Zij waren daarom overgeleverd aan een noodopvang of de straat: een toename van 70 procent ten opzichte van tien jaar eerder. Alles wijst erop dat de aantallen daklozen sindsdien verder zijn gestegen, onder meer door de sterk gestegen huizenprijzen.

Focus op de korte termijn

Coupechoux benadrukt dat EU-lidstaten zelf verantwoordelijk zijn voor hun woningmarkt en dat de grootte en oorzaken van het probleem per land verschillen. „Maar in z’n algemeenheid zien we een desinvestering vanuit de staat. Sinds een jaar

 

lees verder >>>https://www.nrc.nl/nieuws/2022/08/04/dakloosheid-in-europa-een-slecht-gedocumenteerde-crisis-2-a4138149

De jeugdzorg komt in het rijtje ‘grote hervormingen’ van Rutte-II die bij nader inzien niet houdbaar bleken

 

De hulp aan de jeugd werd door de decentralisatie inderdaad laagdrempeliger, maar toen slibde het hele systeem dicht.

Raoul du Pré 15 mei 2022, 19:39

Wie zich afvraagt wat er mis is met de jeugdzorg in Nederland, heeft aan één blik op de cijfers genoeg. In 1997 deed 1 op de 27 kinderen een beroep op professionele hulp, nu is dat 1 op de 7. Dat is 13 procent van alle jongeren, zo heeft het Centraal Bureau voor de Statistiek geturfd. De uitgaven stegen van 3,6 miljard euro in 2015 naar 5,6 miljard nu.

Tenzij de diagnose is dat in 1997 een hele generatie opgroeide onder totale verwaarlozing – en die diagnose stelt niemand – kan de conclusie alleen zijn dat er iets mis is gegaan met het stelsel.

Een optimist zou kunnen volhouden dat de decentralisatie van de jeugdzorg door het tweede kabinet-Rutte een groot succes is. Het idee was dat gemeenten jeugd met problemen veel beter zouden weten te vinden. Dat is inderdaad gelukt.

Helaas is dat wel deels het gevolg van het enorm gegroeide circuit van (semi-)professionele jeugdhulpverleners die bij gemeenten een makkelijke ingang hebben gevonden. Het gaat vaak om lichte jeugdzorg waarvan het effect in veel gevallen niet valt aan te tonen, maar die het stelsel wel zo doet dichtslibben dat er voor de écht complexe en spoedeisende gevallen enorme wachtlijsten zijn ontstaan.

Daarnaast is de bureaucratie ontembaar toegenomen, als gevolg van de halfslachtige decentralisering van 2015. De gemeenten kregen wel de taken, maar het plan om ze te dwingen tot intensieve samenwerking in vijf landsdelen, kwam al snel te vervallen. De jeugdzorginstellingen behoren tot de gedupeerden, omdat zij nu apart zaken moeten doen met al die gemeenten, die allemaal eigen soorten rekeningen, betalingscodes en verantwoordingsmethoden hanteren. Al in 2016 bleken de administratieve kosten met ruim 10 procent toegenomen. Het aantal boekhouders groeide explosief, ten koste van het aantal hulpverleners.

lees verder >>>

https://www.volkskrant.nl/columns-opinie/de-jeugdzorg-komt-in-het-rijtje-grote-hervormingen-van-rutte-ii-die-bij-nader-inzien-niet-houdbaar-bleken~bf907529/

CBS ziet aantal daklozen stabiliseren, maar branche ziet ‘overvolle opvang’

Het aantal daklozen in Nederland lag op 1 januari van dit jaar op 32.000, 4000 minder dan een jaar eerder. Vooral het aandeel 18- tot 27-jarigen is gedaald, meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek. Daarmee is de jarenlange stijging van het aantal daklozen tot stilstand gekomen, stelt het CBS.

Sinds 2009 houdt het statistiekbureau het aantal daklozen in Nederland bij. Sindsdien is het aantal bijna verdubbeld. 80 procent van de daklozen is man, en ongeveer een derde woont in een van de vier grote steden (Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht). Een op de vijf daklozen heeft een niet-westerse migratieachtergrond.

Het CBS plaatst een aantal kanttekeningen bij de cijfers. Daklozen ouder dan 65 jaar worden bijvoorbeeld niet meegenomen, omdat zij niet voorkomen in de bronnen waarop het CBS zijn onderzoek baseert. Ook dakloze ongedocumenteerden komen niet in de berekeningen voor.

Verder rekent het instituut thuislozen niet mee. Ze hebben net als daklozen geen eigen woonruimte, maar staan wel ingeschreven in het bevolkingsregister, met een adres bij een vriend of familielid. Het gaat dan bijvoorbeeld om ‘bankhoppers’.

NOS

Ook Valente, de branchevereniging voor maatschappelijke opvang, plaatst kanttekeningen bij de cijfers: “In Nederland zijn veel onzichtbare dakloze mensen, die her en der verblijven, maar geen eigen dak boven het hoofd hebben.”

lees verder >>> https://nos.nl/artikel/2404032-cbs-ziet-aantal-daklozen-stabiliseren-maar-branche-ziet-overvolle-opvang

Kinderen van de rekening: het drama van de jeugdzorg

Alle kinderen moeten veilig opgroeien. Gemeenten pretenderen dit te regelen. In de praktijk betalen ze allerlei gekkigheid en zijn echte probleemkinderen de dupe.

Jaarlijks geven de gemeenten zo’n 5,5 miljard euro uit aan jeugdzorg. Er zijn 45.000 hulpverleners actief. De resultaten van die enorme inspanning zijn twijfelachtig. Althans, er wordt geklaagd, want vooral de moeilijke gevallen worden als een hete aardappel van de ene instantie naar de andere zorgaanbieder doorgeschoven.

Het record: dertig hulpverleners, zeven case managers voor één gezin

‘Het record,’ zegt CDA-Kamerlid René Peters (45), ‘is dertig hulpverleners en zeven case managers voor één gezin. Voor die kinderen is dat de hel.’

Gemeenten zeggen dat ze bezwijken onder de kosten. Een meisje met anorexia kost al snel een ton per jaar. Een onhandelbare puber die in een tehuis moet worden geplaatst, kost minstens 375 euro per dag. Dat komt neer op bijna anderhalve ton per jaar. Sommige therapieën kosten meer dan het dubbele. Niemand weet of het helpt. Maar gaat het onverhoopt mis, dan hadden zoveel instanties en professionals een rol, dat er géén zondebok valt aan te wijzen.

Gemeenten schrikken van de kosten van de ‘zware gevallen’ en willen daarom preventief kinderen helpen. Als je er snel bij bent, loopt het niet uit de hand en vallen de kosten mee. De gemeenteambtenaren houden de jeugdzorg daarom ‘laagdrempelig’. Ouders en pubers moeten liefst zelf kunnen kiezen wat ze nodig denken te hebben.

In de regio Amsterdam kunnen ze de website ikzoekjeugdhulp.nl gebruiken. Met een paar muisklikken belanden ze in een soort catalogus van 239 zorgaanbieders, die allemaal beweren het beste voor te hebben met peuters, kinderen, pubers en jongvolwassenen.

De een is gespecialiseerd in ‘trotsontwikkeling’, een ander legt zich toe op jongeren met een Afrikaanse achtergrond, een derde bekommert zich vooral om kinderen van wie de ouders in scheiding liggen, een vierde biedt een tiendaagse training aan met de ‘psychosociale hulphond’, een volgende haalt je ‘samen uit de knel’ en bij weer een ander zit je ‘straks weer lekker in je vel’.

Allerlei specialisten, ‘integratieve aanpak’ en ‘mental heroes

Nadat er dit voorjaar berichten verschenen over zorgaanbieders die ruim 40.000 euro omzet per hulpbehoevend kind draaiden door ze paarden te laten knuffelen, verdwenen de paardenfluisteraars op miraculeuze wijze uit de catalogus. Wel zijn er nog genoeg specialisten voor hoogbegaafde kinderen, ongewen­ste zwangerschappen, logeerpret, dysfatische ontwikkeling (het kind begrijpt veel meer dan het zelf onder woorden kan brengen) en mindset-training.

Meer over dit onderwerp: Wat is jeugdzorg nu eigenlijk en hoe ‘werkt’ het?

Sommige kantoortjes zwelgen in ‘integratieve aanpak’ en ‘mental heroes’. Anderen beperken zich tot hun Arabische naam zonder enige toelichting. Er zijn er ook die opgetogen melden: ‘Bij ons geen stoffige psychologen!’

Zo’n catalogus wekt argwaan. Commerciële partijen prijzen hun expertise aan als waspoeder in een STER-spotje. Geen probleemgezin kan uit de voeten met dit ruime aanbod en dat lijkt ook de bedoeling. Argeloos vallen ze ten prooi aan de ‘sociale cowboys’ van het winstbejag. Het is een wildwestmarkt.

Geen misverstand. In de jeugdzorg werken tienduizenden hulpverleners keihard om kinderen uit de sores te halen. Volgens ingewijden komen veel kinderen er dankzij professionele hulp weer bovenop. Gelukkig!

In sommige steden één op de zeven jongeren bij jeugdzorg

Maar het stelsel deugt niet. Het is zo excessief dat het een karikatuur van zichzelf wordt. In sommige steden loopt één op de zeven jongeren bij de jeugdzorg. Tien jaar terug was dat één op de twintig. Tegelijkertijd, zegt jeugdzorgdeskundige Adri van Montfoort (65), duurt het door personeelstekorten gemiddeld acht maanden voordat een gezinsvoogd wordt benoemd voor een kind in een noodsituatie. ‘Soms wordt zeven keer een tijdelijke voogd benoemd.’

Hoe heeft het zover kunnen komen?

Hoe heeft het zover kunnen komen? Misschien leidt de traditie van charitas en kerkelijke hulp aan kinderen in barre omstandigheden nog altijd tot een blijvende versnippering van hulpinstanties. Goede intenties zijn vaak doorslaggevender dan puike resultaten. Eind negentiende eeuw waren er al pleidooien van de Maatschappij tot Nut van het Algemeen om de hulp aan kinderen en probleemgezinnen beter af te stemmen en per huishouden slechts één hulpverlener aan te wijzen, anders wisten die arme drommels niet waar ze aan toe waren.

In 2001 werd aan het Veluwemeer bij Strand Nulde de romp gevonden van een vermoorde peuter. Het hoofdje van het meisje werd later aangetroffen in de Nieuwe Waterweg. Het hele land keek geschokt naar de compositiebeeltenis die de politie had gemaakt van ‘het meisje van Nulde’. Maanden later werd het kind geïdentificeerd als de 4-jarige Rowena Rikkers. De vriend van haar moeder bekende dat hij het meisje had mishandeld en doodgeschopt.

Lees verder onder de foto

De politie toont een beeltenis van het ‘meisje van Nulde’. Foto: ANP.
Jongeren maken soms van meer dan één type jeugdzorg gebruik. De optelsom is daarom iets hoger dan het aantal jongeren in de jeugdzorg als geheel.

Hij en de moeder werden veroordeeld, maar voor de publieke opinie was dit niet genoeg. Waarom hadden hulpverleners dit afschuwelijke onheil niet kunnen voorkomen?

Voorheen was de zorg voor kwetsbare en verwaarloosde kinderen een taak van de rijksoverheid die het beleid vooral liet uitvoeren door de regionale Raden van Kinderbescherming. Maar die kregen vanaf de jaren zeventig steeds meer kritiek: te afstandelijk, te regentesk, te weinig oog voor de jongeren zelf. Yvonne Keuls beschreef later in Jan Rap en z’n maat hoe probleemkinderen op de alternatieve manier moesten worden getroost. Je moest ze als ‘zwerfkatten’ aanhalen, knuffelen, desnoods bij ze in bed gaan liggen.

Jeugdzorg werd aangelegenheid van de provincies

Met de Wet op de Jeugdhulpverlening (1989) en de Wet op de Jeugdzorg (2005) werd de hulp een aangelegenheid van de provincies. Zij lieten de regionale Bureaus Jeugdzorg bepalen welke bijstand de kinderen kregen. Met een indicatiestelling konden kinderen dan terecht bij een ideële of commerciële hulpverlenende instantie. De Bureaus Jeugdzorg wa

lees verder>>>https://www.ewmagazine.nl/nederland/achtergrond/2021/06/kinderen-van-de-rekening-238304w/

Kabinet, bied ruimte en geld voor goede opvang daklozen

Opvang voor daklozen is vaak niet goed en de toegang is beperkt, schrijft Arianne de Jong. Dat leidt tot steeds meer daklozen op straat.

Het aantal daklozen in ons land verdubbelde de afgelopen tien jaar, van 18.000 naar 39.000. En dat zijn dan nog de geregistreerde daklozen. Daklozen die illegaal in Nederland verblijven, zijn niet meegenomen in de cijfers van het CBS. De grote steden sloegen alarm, verscheidene ombudsmannen ook: ze vroegen het Rijk om minder regels en meer geld. Staatssecretaris Paul Blokhuis (Volksgezondheid, ChristenUnie) was zich „rot geschrokken” van de cijfers en zei dat we „ons moeten schamen dat we er in zo’n rijk land niet in slagen om mensen een fatsoenlijk dak boven het hoofd te bieden”. Nu volgt er een plan om dakloosheid terug te dringen, waarschijnlijk in april.

Arianne de Jong is directeur van de ngo Dokters van de Wereld, onderdeel van Médecins de Monde.

Dat is te laat. Alle vier de grote steden hebben de afgelopen tijd flink geïnvesteerd in de winteropvang. Toch is die nu al niet toereikend. Op 1 april sluiten voorzieningen voor opvang in meerdere steden en gemeentes. Dat vergroot de druk op daklozen, hulpverleners en gemeentes. Stabiele, goede opvang is broodnodig, of het nu winter is of niet. Tijd voor actie van het kabinet. Zodat opvang ook na april beschikbaar is, dag en nacht, voor eenieder die niet zonder kan.

Wie niet zeker is van goede opvang, komt nimmer toe aan herstel of eigen kracht, en vindt zo nooit de weg naar voren. De oorzaken van oplopende dakloosheid zijn zeer gevarieerd. Een tekort aan betaalbare woningen, de groeiende inkomenskloof, wachtlijsten in de ggz en een traag en inhumaan asielsysteem zijn allemaal niet simpel oplosbaar.

We weten dat elke oplossing begint bij goede opvang.

Lees ook: Zes maatregelen om dakloosheid tegen te gaan

Onrustig, ongezond, onpraktisch

Goede opvang is nu niet gegarandeerd, zo blijkt uit meerdere signalen. Soms zit die vol, of gelden voorwaarden zoals regiobinding of verblijfspapieren, en ook zitten uiteenlopende groepen daklozen bij elkaar gestopt. Een langdurig dakloze in Amsterdam beschreef de winteropvang zo: „De hele nacht het licht aan op een slaapzaal met 24 mensen, lawaai en urenlang getelefoneer.” Zaken als licht, herrie en spanning onderling maken opvang vaak onrustig en daarmee veelal ongezond. Opvang is daarnaast vaak onpraktisch: bijna al je spullen moet je op straat achterlaten, de nachtopvang sluit vaak overdag en heen en weer gesleep is het gevolg.

Wie niet zeker is van goede opvang, wie nooit rust of slaap kan vinden, komt er nimmer aan toe het heft in eigen hand te nemen. Het aanbieden van inadequate opvang en het beperken van de toegang leidt tot meer daklozen op straat. Voor hen is dat altijd een aanslag op lichaam en geest. Voor omwonenden soms een bron van zorg of overlast. Verschillende maatschappelijke instanties en ngo’s bieden in meerdere steden medische en psychische ondersteuning aan ongedocumenteerde daklozen. Zij kennen de problematiek uit de praktijk en vinden dat het zo niet langer kan.

Voor ongedocumenteerden gelden extra drempels. Vriest het niet en word je niet als ‘kwetsbaar’ aangemerkt? Dan stelt het Rijk ‘meewerken aan perspectief’ als voorwaarde voor opvang. In de praktijk betekent ‘perspectief’ meestal vertrek. Dat dit als prikkel zelden werkt, is te zien op straat. Groepen ongedocumenteerden proberen bij kou, wind en regen te overleven in tentjes, onder zeilen, of andere beschutting. Vrijwilligers hebben daar de handen vol aan.

Mohamed is een van de artsen van Dokters van de Wereld: „Ik bezoek nu tweeënhalf jaar vluchtlocaties waar ongedocumenteerden schuilen. Deze plekken waren stuk voor stuk tochtig, vochtig, en koud. In de winter zien we veel vaker infecties, mede omdat mensen dan dicht opeen slapen in tentjes en dergelijke.”

Het Rijk is aan zet

Wie niet zeker is van goede opvang, is aan het overleven en denkt niet eens aan terugkeer of vertrek. De tijd van dralen is voorbij, de nood is hoog en het Rijk aan zet. Opvang en gezondheid zijn mensenrechten, waar je ook vandaan komt. Daar mag je, volgens onze eigen rechters, geen extra voorwaarden aan stellen.

Praat mee met NRC

Onderaan dit artikel kunnen abonnees reageren. Hier leest u meer over reageren op NRC.nl .

Kabinet, laat uw papieren werkelijkheid varen. Laat die onzinnige voorwaarden los. Bied de ruimte en het geld voor goede opvang voor wie anders buiten slaapt.

lees verder >>> https://www.nrc.nl/nieuws/2020/02/27/kabinet-bied-ruimte-en-geld-voor-goede-opvang-daklozen-a3991971

Een versie van dit artikel verscheen ook in NRC Handelsblad van 28 februari 2020

 

 

 

Hoe helpt Europa zijn daklozen?

In heel Europa, inclusief Nederland, groeit het aantal daklozen. Een project dat hoopvolle resultaten boekt, krijgt nauwelijks vervolg. Om een beter beeld te krijgen, tellen Parijs en Berlijn hun daklozen. ‘Hele families in tentjes, dat zag je vroeger niet.’

Door Daan Kool & Sterre Lindhout  15 februari 2020, 05:00

Analyse DaklozenprobleemHoe helpt Europa deze mensen?

Wie in Europese steden om zich heen kijkt, ziet de sporen van mensen die overal wonen maar nergens thuis zijn. Daklozen zijn onderdeel van de stad: hun koepeltentjes in het park, hun diepliggende ogen en hun terugkerende vraag om een ‘kleine bijdrage voor de nachtopvang.’

En ze zijn met steeds meer hier in West-Europa, in landen waar het de afgelopen tien jaar economisch voor de wind ging. Landen met een lage werkloosheid, begrotingsoverschotten, landen die beroemd zijn, of waren, om hun royale sociale vangnetten.

Om een beter overzicht te krijgen, besloten Parijs en Berlijn eind januari hun daklozen te tellen. In deze ‘nacht van de solidariteit’ vonden vrijwilligers in de Franse hoofdstad zo’n 3.500 ‘buitenslapers’, zoals ze in vakjargon heten. In de Duitse hoofdstad waren het er krap 2.000.

Een uitslag die verschillende Berlijnse daklozen bij navraag ‘veel en veel te laag’ noemen. Ze zijn met minstens twee keer zoveel, schat Anja (33), die al vanaf haar 13de op straat leeft. ‘Veel collega’s hebben zich natuurlijk voor die tellers verstopt.’ In Amsterdam schat de GGD het aantal mensen dat buiten slaapt tussen de vijfhonderd en duizend.

Sowieso zijn deze buitenslapers het topje van een ijsberg. Daaronder hangt een grote groep minder zichtbare mensen zonder vaste woon- of verblijfplaats. ‘Ik ben me rot geschrokken’, was de reactie van staatssecretaris Paul Blokhuis (ChristenUnie) op de cijfers die het CBS afgelopen najaar presenteerde over dakloosheid in Nederland. Het aantal mensen dat op straat of tijdelijk in een noodopvang slaapt, blijkt de afgelopen tien jaar meer dan verdubbeld, van 18 duizend naar ruim 39 duizend.

Daarnaast zijn er in Nederland nog tienduizenden ‘residentieel daklozen’, mensen die langdurig worden opgevangen. In Frankrijk en Duitsland zijn dat vele honderdduizenden. Overigens was de schrik van Blokhuis opvallend, omdat opvanglocaties in de Nederlandse grote steden al jaren luidkeels klagen over capaciteitsgebrek.

Volgens Freek Spinnewijn, de Vlaamse directeur van FEANTSA, een door de Europese Commissie gefinancierde organisatie die de ontwikkelingen rond daklozen en daklozenbeleid in Europa volgt, bevindt Nederland zich, net als Frankrijk, Duitsland, Denemarken en Ierland ‘in de kop van het peloton van de daklozenproblematiek’.

Dat geeft te denken. Wie zijn deze mensen, en hoe worden ze geholpen?

Wie zich een dakloze voorstelt, haalt zich waarschijnlijk een man voor de geest, leeftijd moeilijk in te schatten, verweerd gelaat, sporen van verslaving. In het merendeel van de gevallen klopt dat cliché, zo blijkt uit alle tellingen en studies. Daklozen zijn vaak mannen tussen de 30 en de 50 jaar oud, alcoholist, drugsgebruiker, met psychische problemen.

‘Waarbij je dus niet weet of die problemen de kip zijn en de verslaving het ei, of precies andersom’, om met Ellen Eidt, chef van de Bahnhofsmission in Berlijn, te spreken. Deze grote inrichting waar daklozen kunnen eten, douchen en opwarmen, ligt naast Bahnhof Zoo, in de jaren tachtig van de vorige eeuw de biotoop van de jonge heroïneverslaafde Christiane F., schrijver van het autobiografische Wir Kinder vom Bahnhof Zoo.

Onder de viaducten rond het station liggen matrassen, nog steeds worden er veel drugs gedeald en gebruikt. ’s Winters komen er in de Bahnhofsmission zo’n 400 mensen per dag, een doorsnee van de daklozenpopulatie. Eidt, een kordate grijze vrouw, ziet hoe de samenstelling van haar klandizie de afgelopen jaren is veranderd.

Oost-Europeanen, voornamelijk Polen, zijn in Berlijn de grootste nieuwe groep op straat levende daklozen, zo observeerden hulpverleners de afgelopen jaren. Bij de telling mocht niet specifiek naar nationaliteit worden gevraagd, wel gaf de meerderheid van de daklozen aan uit ‘overige EU-landen’ te komen. Ook in Nederland is het aantal Oost-Europese daklozen toegenomen.

Ze komen naar West-Europa om te werken; er geldt immers vrij verkeer van personen. Maar als ze hun baan verliezen of überhaupt geen baan vinden, belanden ze op straat en verdwijnen ze in de dode hoek van de verzorgingsstaat. Ze kunnen meestal geen aanspraak maken op enige vorm van bijstand, dus ook niet op daklozenopvang.

In Amsterdam zijn Oost-Europese daklozen sinds deze winter alleen nog kortstondig welkom in de nachtopvang. Berlijnse liefdadigheidsorganisaties knijpen juist vaak een oogje toe. Toch slapen ook daar de meeste dakloze Polen, Roemenen en Bulgaren buiten.

In Parijs zijn veel op straat slapende daklozen vluchtelingen, meestal uit Afrikaanse landen, soms uit het Midden-Oosten. Papieren hebben ze zelden, recht op een verblijfsvergunning evenmin, vaak omdat ze de beruchte vingerafdruk al in Italië of Griekenland hebben gezet. Anderen willen niet in Frankrijk worden geregistreerd omdat Groot-Brittannië hun einddoel is.

Zij bevolken de tentenkampen aan de stadsranden, die eens in de zoveel tijd door de gemeente worden ontruimd. De meeste bewoners laten zich dan een poos opslokken door de zwarte gaten van de miljoenenstad, om een paar weken later elders hun kamp op te slaan.

Ellen Eidt van de Berliner Stadtmission ziet de laatste jaren ook geregeld mensen die je op straat niet als dakloze zou herkennen aanschuiven voor een warme maaltijd . Het zijn mensen zonder verslaving, soms zelfs met een baan.

Overal in Europa ontstaan de afgelopen jaren zogenaamde ‘economische daklozen’; slachtoffers van de in veel West-Europese landen verschraalde sociale voorzieningen, de tijdelijke contracten zonder sociale zekerheid en de op hol geslagen woningmarkt in veel grote steden. Het zijn mensen met huurschulden, mensen die na hun scheiding geen betaalbaar huis kunnen vinden. Het betreft jongeren, vrouwen, zelfs gezinnen.

In Nederland groeit deze groep zo onstuimig, dat de GGD een paar jaar geleden met een omstreden maatregel op de proppen kwam om de druk op de voorzieningen te verlichten. Daklozen worden gescreend op zelfredzaamheid. Wie wordt aangemerkt als ‘zelfredzame dakloze’ – het klinkt even eufemistisch als een ‘reislustige thuiszitter’ – heeft in de praktijk pech, omdat hij geen aanspraak kan maken op maatschappelijke opvang. Hij moet dus zelf maar zien waar hij slaapt, en hoe hij uit zijn benarde situatie komt.

In een brandbrief aan Mark Rutte waarschuwde de Nationale Ombudsman Reinier van Zutphen afgelopen najaar dat hij steeds vaker signalen krijgt ‘van mensen die niet zelfredzaam zijn, maar toch geen toegang krijgen tot de maatschappelijke opvang’.

Idealiter stellen Europese overheden zich hulpverlening aan daklozen ongeveer als volgt voor: een dakloze klopt aan bij een instelling voor noodhulp en komt daarna terecht in een instelling voor langdurige opvang. In de tussentijd worden eventuele verslavingen en schulden aangepakt, zodat de dakloze na ongeveer een half jaar kan uitstromen naar een sociale woning, waar hij in de gaten wordt gehouden door hulpverleners tot hij weer kan meedraaien in de maatschappij. Voilà.

In Nederland gaat het zelden zo, blijkt uit recent onderzoek van de Rekenkamers van de vier grote steden. Van duurzame verbetering, doorstroom of uitstroom is in de meeste gevallen geen sprake.

De lange wachttijden voor een eigen woning zijn de voornaamste oorzaak van de stagnatie; een gevolg van het gebrek aan sociale woningen. Ook in Duitsland en Frankrijk wonen honderdduizenden mensen jarenlang in opvangcentra terwijl ze weinig kans hebben op een eigen huis. Cijfers over het aantal daklozen dat succesvol re-integreert zijn in geen van de drie landen beschikbaar.

En toch bestaat er in bijna alle Europese landen een pilotproject dat hoopvolle resultaten oplevert. Het heet Housing First en komt oorspronkelijk uit de VS en Canada. De opzet is simpel: je geeft daklozen, verslaafd of niet, eerst een eigen huis. Daarna ga je kijken wat er aan andere problematiek moet worden opgelost.

De huur wordt, zolang nodig, betaald door de overheid of een liefdadigheidsinstelling, die ook regelmatig een sociaal werker stuurt. Minstens 80 procent van de daklozen die op deze manier een eigen huis krijgt, blijft daar langdurig wonen, raakt verankerd in de buurt en daardoor in de maatschappij. In Finland is het aantal daklozen met dank aan Housing First teruggelopen van 19 duizend naar 5.000, van wie er nog maar 200 op straat leven.

Maar hoe komt het dat er in de rest van de EU, het collectieve enthousiasme ten spijt, nog maar enkele tienduizenden Housing First-woningen bestaan? Freek Spinnewijn van FEANTSA denkt dat instellingen aanhikken tegen de transitie die dat teweegbrengt. Met het huidige systeem van langdurige opvang zijn in landen als Duitsland en Frankrijk miljarden gemoeid. Er zijn veel banen aan verbonden. Maar ook hier is het grootste obstakel de huizenmarkt. Bouw maar eens een paar duizend sociale huurwoningen, geoormerkt voor ex-daklozen, in een stad met Amsterdamse huizenprijzen.

Natuurlijk zijn daar creatieve oplossingen voor te bedenken. In Amsterdam loopt sinds een paar jaar het kleinschalige project Onder de pannen, een initiatief waarmee mensen een kamer in hun huis aan een dakloze kunnen verhuren.

Maar er speelt meer dan alleen praktische bezwaren. Spinnewijn constateert ook een gebrek aan politieke wil om het dak- en thuislozenprobleem echt op te lossen. De meeste beleidsmakers zijn tevreden als daklozen worden ‘gemanaged.’ Als ze niet te zichtbaar zijn en er ’s winters niemand bevriest, is het wel best.

Daklozen zijn geen sexy protagonisten voor een politieke of publieke campagne, zegt Spinnewijn. Retorisch: ‘Hoe realistisch is het dat Mark Rutte binnenkort met veel tromgeroffel een campagne lanceert om dakloosheid te bestrijden?’

Brussel loopt ook niet echt warm voor de daklozenproblematiek. Dat buitenslapers uit Oost-Europa een direct gevolg zijn van het vrije personenverkeer in de EU, vergeten ze er liever. ‘Bij Eurostat heb je statistieken over alle soorten vis die er in de Europese zeeën rondzwemt, maar er bestaat geen enkele statistiek over daklozen.’

Dat zie je ook terug in de vlaag media-aandacht die er in Frankrijk en Duitsland was rond de tellingen: de meeste bijdragen gaan over atypische daklozen, vrouwen, of over mensen die ’s nachts in de noodopvang slapen maar ’s morgens wel op tijd naar hun werk gaan – zij die in Nederland als zelfredzaam worden bestempeld. Deze daklozen wekken mededogen bij mensen die wel een plek hebben om thuis te komen. Mannen van middelbare leeftijd met een alcoholprobleem doen dat meestal niet.

Reportage Daklozen ParijsDaklozen tellen in Parijs: ‘Waar slaapt u vannacht?’

‘Lastig, heel lastig’, fluistert Gwenaëlle Gontier terwijl ze knikt naar een man die in het schijnsel van de straatverlichting een sandwich zit te eten. Normaal gesproken niets alarmerends, maar zijn bagage (twee volgestouwde plastic tassen) en het tijdstip (bijna middernacht) brengen de 38-jarige onderwijzeres aan het twijfelen.

‘Wat denken jullie? Misschien zit hij wel gewoon rustig zijn broodje te eten en gaat hij daarna naar huis.’

Gontier is een van de 1.700 vrijwilligers die meedoen aan de Nuit de la Solidarité, een daklozentelling in Parijs. Tijdens een twee uur durende cursus heeft ze geleerd dat je geen slapende daklozen moet wakker maken, niet zomaar tentjes moet openritsen en daklozen nooit moet tutoyeren. Maar waaraan zie je of een potentiële dakloze daadwerkelijk dakloos is?

Ze besluit het even aan te kijken. ‘We komen hier straks weer langs. Als hij er dan nog zit, spreken we hem aan.’

In zekere zin horen daklozen bij Parijs. Van verlopen oudere clochards die in al dan niet beschonken toestand om kleingeld vragen, kijkt geen Parijzenaar op. Iedere wijk, elke straathoek haast, heeft zijn eigen buurtzwerver. De stad heeft relatief veel voorzieningen voor daklozen en trekt hen dan ook als een magneet aan, vanuit heel Frankrijk en ver daarbuiten.

Maar het aantal ‘SDF’ (sans domicile fixe, ‘zonder vaste woning’) is de afgelopen decennia zienderogen toegenomen. ‘Hele families in tentjes of onder viaducten, dat zag je vroeger niet’, zegt Gontier.

In navolging van New York introduceerde Parijs twee jaar geleden een jaarlijkse daklozentelling. Gewapend met enquêteformulieren en zaklampen en gehuld in lichtblauwe hesjes trekken 400 equipes – elk bestaande uit drie à vier vrijwilligers en een professionele begeleider – door de nachtelijke straten. Ook in parken, parkeergarages en metrostations wordt geteld, zij het niet door vrijwilligers.

Het totale aantal getelde daklozen – dit jaar 3.552, ietsje minder dan vorig jaar – zegt niet zo veel; willekeurige factoren als het weer kunnen de telling beïnvloeden. De gemeente hoopt vooral de specifieke noden van de personnes en situation de rue in kaart te brengen. In één opzicht is het project in elk geval een succes: er meldden zich zoveel vrijwilligers aan dat de gemeente mensen moest teleurstellen.

‘Hebben we deze straat nou al gehad?’ Groepsleider en sociaal werker Fany Piesseau (49) tuurt naar het kaartje van ‘haar’ gebied, een relatief arme buurt in het noordoosten van de stad. Om doublures te voorkomen moeten de tellers zich nauwgezet aan de voorgeschreven route houden.

Piesseau was aanvankelijk sceptisch. Mensen tellen alsof het tuinvogels betreft, dat klonk bedenkelijk. Maar toen ze zag dat de gemeente de uitkomsten van de eerste telling gebruikte voor concrete beleidsmaatregelen, zoals meer opvanglocaties voor vrouwen, ging ze overstag.

Voor de dichte rolluiken van een beautysalon zit een man met een thermomuts en twee jassen over elkaar op een betonnen paaltje. Als Gontier hem vraagt waar hij de nacht gaat doorbrengen, kijkt hij haar glazig aan. ‘English?’ De man knikt. Hij komt uit Bangladesh en is via Italië in Frankrijk beland, vertelt hij in gebroken Engels. Het tentenkamp waar hij verbleef is drie dagen geleden door de politie ontruimd. Sindsdien zwerft hij door de stad.

‘Weet u waar u zich kunt wassen?’, vraagt Gontier in het Frans. Ze wrijft haar handen over elkaar, alsof ze zich wast. ‘Wash?’

Hoeveel sans-papiers, ongedocumenteerde asielzoekers, er onder de Parijse daklozen zijn, blijft onbekend. De enquêtes worden anoniem afgenomen; naar afkomst wordt niet gevraagd. De leeftijd en het geslacht van de ondervraagde daklozen wordt wel genoteerd. De eerste telling bracht aan het licht dat het aantal vrouwen op straat veel hoger is dan voordien werd aangenomen. Waar Insee (Institut national de la statistique et des études économiques) uitging van 2 procent, bleek in werkelijkheid 12 procent van de daklozenpopulatie uit vrouwen te bestaan.

Veel hulporganisaties vinden dat de gemeente Parijs lang te weinig deed voor ‘de vergetenen van de Republiek’. Inmiddels is er aan goede bedoelingen – en een wirwar aan ‘actieplannen’, ‘structuren’ en ‘speerpunten’ – geen gebrek. Toch is het aantal mensen op straat niet teruggedrongen. ‘We doen van alles, en kennelijk toch niet genoeg’, zegt Piesseau.

Waar hij behoefte aan heeft? De 38-jarige Stéphane moet er lang over nadenken. Sinds oktober is hij dakloos. In de opvang waar hij belandde, werd al na één nacht zijn rugzak gejat. Sindsdien woont hij in een eenpersoonstentje op een smalle modderstrook, omringd door verfomfaaide plastic tassen, platgetrapte bierblikken en natgeregende slaapzakken. Voor de tent ligt een crackpijpje.

Stéphane heeft af en toe moeite om aan voldoende eten te komen, vertelt hij schoorvoetend. Nadat hij drie keer beleefd heeft afgeslagen, neemt hij het verpakte Madeleine-cakeje aan dat Gontier hem aanbiedt.

Verder heeft hij niets te klagen. Nee, geen last van jongeren in de buurt. En hij slaapt ook prima (‘daar heb ik wat voor, mevrouw’). Of hij verder nog iets zou willen? Tja, een huis, zegt Stéphane lachend. En beetje geld zou ook niet verkeerd zijn. ‘Maar dit is de straat, hè. Hier heb je niet veel te willen.’

Portretten dakloos in Amsterdam, Berlijn en Parijs

‘Bijna mijn hele uitkering gaat op aan kost en inwoning’

Chahid Aaddi (50) Amsterdam

‘Hoofdzaak is dat je een groep hebt waar je bij hoort’

Anja (33), Berlijn

‘Na de dood van mijn vrouw deed het pijn alleen thuis te zijn’

Thomas (53), Berlijn

‘Als je op straat leeft, zie je van alles’

Tony (25), Parijs

‘Ik word heel vaak door agenten weggestuurd’

Omar (32), Parijs

‘Het besef dat je dakloos bent, beheerst je gedachten’

Stephan (34), Amsterdam

 

Half december stond hij ineens op straat na de breuk met zijn vriendin. De woning is eigendom van de vader van de vriendin. ‘Daar sta je dan’, blikt de meubelmaker terug, vanuit zijn werkplaats in Amsterdam-oost. ‘Ik heb een bootje. Daar heb ik de eerste paar nachten geslapen. Geen verwarming. Niet te doen.’

Daarna werd het ‘van bank tot bank hoppen’ bij vrienden. Te kort ingeschreven staan bij Woningnet, particuliere verhuurders vragen idiote bedragen en vinden zijn inkomsten te laag, dan is ineens de woningschaarste heel tastbaar. ‘Ik bleef wel werken, ben eigen baas, maar het besef dat je dakloos bent blijft je beheersen.’

Na vergeefse pogingen om iets tijdelijks te vinden (‘Antikraak heb je ook al bijna niet meer’), googelde hij toch maar de woorden ‘dakloos’ en ‘hulp’ . ‘Ik moest wel. Bij dakloos past zo’n beeld van een probleemgeval, iemand die niet voor zichzelf kan zorgen. Daar moet je je overheen zetten.’

Nu is hij plots ‘cliënt’ van de Regenboog Groep, een maatschappelijk organisatie die zich inspant voor ‘kwetsbare Amsterdammers’. Niet nadat hij, zo is de procedure,

 

lees verder >>> https://www.volkskrant.nl/kijkverder/v/2020/hoe-helpt-europa-zijn-daklozen~v90876/

Door Marcel van Lieshout

Minder jeugdhulp? Zorg voor een ontspannen samenleving

 

Ggz Spreek niet te snel van psychische problemen bij individuele jongeren, maar dring de prestatiemaatschappij terug, schrijven Gert Schout en Bert Wienen.

De crisis in de geestelijke gezondheidszorg kan niemand zijn ontgaan. Voorafgaand aan het Tweede Kamerdebat van afgelopen woensdag legde hoogleraar en psychiater Jim van Os de vinger nog eens op de zere plek (Chronisch zieken worden te ingewikkeld gevonden, 22/1). Vijf tips had hij voor Tweede Kamerleden, „om de ggz vlot te trekken”. Behartenswaardige tips. Maar bij een van de tips bijt Van Os zich in de eigen staart. Van Os beveelt aan: „Stop met de medicalisering van alle leed; maak mensen weerbaar”. Deze tip veronderstelt dat de medicalisering komt doordat mensen niet weerbaar zijn. Of anders, als mensen meer weerbaar zouden zijn, dan zou er minder medicalisering zijn.

Gert Schout is senior onderzoeker, verbonden aan het Amsterdam UMC. Bert Wienen is onderzoeker bij het Lectoraat Jeugd, Windesheim Zwolle

Maar dan ziet Van Os een belangrijk punt over het hoofd en juist dat zou voor politici een belangrijk onderwerp moeten zijn. Van Os stelt: „Stress, werkdruk, perfectionisme, de nadruk op succes en uiterlijk vertoon – maak kinderen en tieners weerbaar zodat ze met de eisen van deze tijd kunnen omgaan. Dat is echt een publieke taak.” Van Os maakt nu echter van het gebrek aan weerbaarheid een individueel probleem. Maar juist dat neerleggen bij het individu is een probleem, en daarmee hou je de ogen dicht voor de olifant in de kamer. Namelijk dat we zelf een samenleving hebben gecreëerd waarin concurrentie, stress en werkdruk worden gestimuleerd. Daaraan zouden Tweede Kamerleden iets moeten doen. Dát is een publieke taak.

Steeds meer kinderen krijgen jeugdhulp, de aantallen blijven maar stijgen. In sommige gemeenten krijgt maar liefst een op de acht kinderen te maken met een vorm van jeugdhulp en meer dan vierduizend kinderen zitten noodgedwongen thuis. We zien hier individualisering en medicalisering: problemen worden toegeschreven aan kinderen en jongeren, en de oplossing moet van geestelijke gezondheidszorg komen.

Gezien de stijging van het aantal kinderen dat jeugdhulp nodig heeft wordt kennelijk steeds vaker de vraag gesteld: ‘Wat mankeert dit kind?’ De vraag veronderstelt een biomedisch probleem. De oorzaak en oplossing van het probleem worden in het kind gezocht. Niet kunnen voldoen aan de overspannen verwachtingen wordt al gauw beleefd als een persoonlijk falen. De inzet van jeugdhulp en een diagnose biedt dan voor kinderen, ouders en leerkracht een uitweg. Het werkt ontschuldigend; zie je wel, het ligt niet aan mij.

Concurrentiedrift en prestatiedrang

Nu is Nederland de meest competitieve economie van Europa en wereldwijd van plek zes naar plek vier gestegen in de ranking voor economisch concurrentievermogen. Moeten we daar blij mee zijn? Over de schaduwkant van groei en concurrentiedrift voor milieu en mens is al veel geschreven. Maar ook in het onderwijs zien we een keerzijde. Het onderwijs is steeds meer een wedstrijd geworden. CITO-scores, tussentijdse toetsen, targets, opgeschroefde normen bij vervolgonderwijs, hogere verwachtingen van ouders, openbare prestatielijstjes van scholen – de voortdurende druk op kinderen en onderwijzers is enorm.

Lees ook: Psychiaters zijn nu supersterren, wat zegt dat over deze tijd?

Is het niet eens tijd om de prestatiedruk temperen? Kunnen we de kracht van de markt en de targets dempen? Kunnen we een werkstijl ontwikkelen om ‘het eenvoudig te houden’? Dan kunnen we ophouden met de problemen bij individuele tieners neer te leggen, die weerbaar gemaakt moeten worden „zodat ze met de eisen van deze tijd kunnen omgaan”.

Minder prestatiedruk in klaslokaal en huiskamer

Wie goed kijkt ziet een wipwap met aan de ene kant een stijgende geldstroom richting de jeugdhulp en aan de andere kant een afnemende geldstroom richting sportclubs, bibliotheken, muziekscholen, toneel en andere culturele voorzieningen; het bindweefsel van de samenleving. De plekken waar kinderen zich in rust kunnen ontwikkelen en de wereld kunnen ontdekken. Hier gaat iets mis.

Als we het tij willen keren moeten we de prestatiemaatschappij tussen haakjes zetten: niet alleen in het klaslokaal en de huiskamer, maar zeker ook in de Tweede Kamer. Een mooie, zesde tip aan Kamerleden zou zijn: onderzoek hoe we zo snel mogelijk af komen van onze eerste plaats op de Europese ranglijst van concurrerende economieën.

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/01/23/minder-jeugdhulp-zorg-voor-een-ontspannen-samenleving-a3987955

Deze zes maatregelen helpen om dakloosheid tegen te gaan

Dakloosheid Andere regels rond uitkeringen en uitzettingen, noodwoningen en andere voorstellen om veel meer mensen een woning te laten houden of krijgen.

5 december 2019 om 16:40

Leestijd 2 minuten

Het aantal daklozen is in tien jaar verdubbeld tot 39.000. Het kabinet liet in augustus weten zich „te schamen” dat het „in zo’n rijk land” niet lukt om mensen een fatsoenlijk dak boven het hoofd te geven. De Nationale Ombudsman Reinier van Zutphen riep het kabinet dinsdag op om actie te ondernemen. „Met de schaamte van het kabinet lossen we het acute huisvestings- en daklozenprobleem niet op.”

Deze zes maatregelen stellen vakmensen voor om dakloosheid terug te dringen.

1.De kostendelersnorm aanpassen

In 2015 voerde het Rijk de ‘kostendelersnorm’ in. Mensen met een bijstandsuitkering worden gekort als er een volwassene bij hen woont. Het idee is dat ze de kosten voor boodschappen, gas, licht en water kunnen delen, en dat de andere volwassene ook een bron van inkomsten heeft. „Sindsdien zijn er veel meer 21- en 22-jarige daklozen”, zegt Mirjam Hakkenbroek van het daklozenteam van de gemeente Delft. Zij worden door hun ouders uit huis gezet.

Door de kostendelersnorm is het voor mensen met een uitkering nadelig om iemand in huis te nemen. De hoofdbewoner kan soms door de gedaalde inkomsten de vaste lasten niet meer betalen, zegt Hakkenbroek. Ze pleit ervoor de inwonende eventueel te korten, maar níet de hoofdbewoner. „Degene die de vaste lasten moet betalen, zou een inkomen moeten hebben waarmee dat kan.”

Lees ook deze reportage: In de noodopvang voor een lekker matras, een warme douche en een bord zuurkool

  1. Noodwoningen bouwen

In 2006 was er ook een „epidemie aan mensen die op straat sliepen”, vertelt Rina Beers, beleidsadviseur van de Federatie Opvang. „Toen gingen ambtenaren in de vier grote steden letterlijk rondfietsen op zoek naar veldjes en lege overheidsgebouwen waar noodwoningen gebouwd konden worden.” Dat moet opnieuw gebeuren, vindt Beers. Zodat de doorstroming aan de onderkant van de huurmarkt op gang komt. „Je kunt ook woningen splitsen, omdat er steeds meer eenpersoonshuishoudens zijn.”

  1. Minder beslag leggen op de inboedel

Een andere reden voor de groei van het aantal daklozen is het inboedelbeslag. Heb je schulden, dan moet je duidelijk hebben vastgelegd welke spullen van jou zijn en welke van de hoofdbewoner – anders neemt de deurwaarder alle spullen mee. Alle reden om iemand met schulden je huis uit te zetten. Volgens Hakkenbroek zou er geen beslag gelegd moeten worden op inboedel beneden een bepaalde grens. „Dingen als wasmachines en tv’s zouden er niet onder moeten vallen. Die zijn weinig waard, dus zo’n inbeslagname lost de schulden niet op, maar is wel vervelend.”

  1. Niet uitzetten om hennepteelt

Een huurder die hennep teelt op zolder, voor de verkoop, wordt „zonder pardon” uit huis gezet. In maart 2019 (de meest recente cijfers) stonden bij de Rotterdamse corporatie Havensteder 247 mensen geregistreerd die uit huis waren gezet wegens drugsteelt en er de komende vijf jaar geen woningen mogen huren.

Als de corporatie een drugstelende huurder niet uitzet, doet de burgemeester het wel. Dat heet een ‘burgemeesterssluiting’. Volgens oud-gevangenisdirecteur Frans Douw is dat zinloos: „Natuurlijk moet je de teelt aanpakken en iemand helpen zijn schulden te verminderen. Maar iemand op straat zetten, creëert dakloosheid.”

Overigens zetten alle woningbouwcorporaties de afgelopen drie jaar veel minder huurders het huis uit wegens huurachterstand. Havensteder zette in 2019 75 mensen uit huis op die grond, tegen 365 in 2016. „Vanaf de allereerste betaling die niet geschiedt, nemen we contact op met de huurder en gaan we van alles verzinnen om hen te helpen met betalen.”

lees verder >>> https://www.nrc.nl/nieuws/2019/12/05/deze-zes-maatregen-helpen-om-dakloosheid-tegen-te-gaan-a3982813

Amsterdam laat door geldgebrek wachtlijsten jeugdzorg oplopen

Jeugdhulp Veel gemeenten kampen met financiële tekorten bij de jeugdzorg. Amsterdam neemt nu forse bezuinigingsmaatregelen.

1 november 2019

Leestijd 2 minuten

Wethouder Simone Kukenheim (Jeugdzorg, D66): „Niemand vindt het leuk om kwetsbare kinderen te helpen met een tekort aan budget. Maar het geld moet ergens vandaan komen.” Foto Jerry Lampen/ANP

Amsterdam gaat forse maatregelen nemen om de financiële tekorten op het gebied van jeugdzorg aan te pakken. Om de kostenstijging de komende jaren te beheersen, wil de gemeente onder meer cliëntenstops invoeren en accepteren dat wachtlijsten oplopen. Dat blijkt uit een raadsbrief die vrijdagmiddag is verstuurd.

De kosten voor jeugdzorg – de verzamelnaam voor jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering – zijn in Amsterdam net als in veel andere Nederlandse gemeenten in 2019 opnieuw hoger dan begroot. Vorig jaar kwam de gemeente bijna 40 miljoen euro tekort, nu wordt rekening gehouden met een „overbesteding” van 21 miljoen euro.

Met name door het aantal doorverwijzingen naar zware vormen van zorg te verminderen, wil de gemeente op korte termijn geld besparen. Er komt een „gedeeltelijke cliëntenstop” voor specialistische zorg. „Dit betekent in dat we samen met aanbieders gaan kijken welke cliënten al dan niet tijdelijk middels lichtere vormen van zorg geholpen worden of pas op een later moment specialistische jeugdhulp ontvangen”, schrijft wethouder Simone Kukenheim (Zorg, D66). Crisisplaatsingen of verwijzingen op grond van een rechterlijke uitspraak zijn hiervan uitgesloten.

Aantal jongeren in jeugdzorg stijgt

De verwachting is dat de wachttijden zullen oplopen. „Niemand vindt het leuk om kwetsbare kinderen te helpen met een tekort aan budget”, licht de wethouder toe. „Maar het geld moet ergens vandaan komen. Daarom gaan we gezamenlijk kijken: kunnen we het stelsel simpeler maken? Waar komen investeringen het beste tot hun recht?” De gemeente kondigt per 2021 een nieuw stelsel aan. In het huidige, ingevoerd in 2018, wordt de zorg ‘resultaatgericht’ ingekocht door de gemeente. In plaats van per gewerkt uur, krijgen instellingen betaald voor een hulpplan met een meetbaar doel. Hoewel met deze aanpak meer jongeren bereikt werden en de wachttijd terugliep, is dit systeem volgens de wethouder „financieel niet houdbaar”.

Lees ook: Hoe controledrift het werken in de jeugdzorg bijna onmogelijk maakt

Dat de kosten voor jeugdzorg ondanks eerdere maatregelen blijven stijgen, heeft onder meer te maken met de toenemende vraag. Deze week maakte het Centraal

lees verder >>> https://www.nrc.nl/nieuws/2019/11/01/amsterdam-laat-door-geldgebrek-wachtlijsten-jeugdzorg-oplopen-a3978874

Aantal jongeren in jeugdzorg voor vijfde jaar op rij gestegen

31 oktober 2019

In het eerste half jaar van 2019 is het aantal jongeren in de jeugdzorg opnieuw gegroeid, blijkt donderdag uit cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In de eerste zes maanden van 2019 kregen 366.000 jongeren tot 23 jaar jeugdzorg, wat neerkomt op bijna 1 op de 12 jongeren.

De afgelopen vier jaar steeg het aantal jongeren dat jeugdzorg krijgt. In 2015 kregen 319.000 jongeren jeugdzorg, in het eerste half jaar van 2019 zijn dat er 366.000. Dit aantal kan nog groeien, aangezien in de vorige jaren de definitieve cijfers ongeveer 5 procent hoger waren dan de voorlopige resultaten.

Onder jeugdzorg vallen jeugdhulp, jeugdbescherming en jeugdreclassering. In jeugdhulp is te zien dat ook de duur van de zorg is toegenomen. In 2015 kregen jeugdhulpjongeren gemiddeld 233 dagen zorg, in de eerste helft van 2019 is dit aantal gestegen naar 346 dagen.

De gemiddelde duur van jeugdbescherming nam in de eerste zes maanden van 2019 juist af van 1.035 dagen naar 870 dagen. Ook de duur van jeugdreclassering daalde van 427 dagen in 2015 naar gemiddeld 308 dagen in de eerste helft van dit jaar.

In het noordoosten van Nederland en het midden van Limburg krijgt meer dan 13 procent van de jongeren jeugdhulp. In andere delen van Nederland ligt dit percentage lager. Dit is mogelijk te verklaren door de sociale en economische omstandigheden of beleidskeuzen van gemeenten, maar hier kan het CBS geen uitsluitsel over geven.

Wachtlijsten in de jeugdzorg zijn flink langer geworden

In 2015 werd de jeugdzorg door het kabinet overgeheveld naar de gemeenten en werden er bezuinigingen doorgevoerd. Sindsdien heeft de sector te maken met steeds grotere problemen. In september gingen jeugdzorgmedewerkers daarom voor het eerst in de geschiedenis staken.

Zo zijn de wachtlijsten in de jeugdzorg flink langer geworden. Zelfs de urgente probleemgevallen moeten weken of zelfs maanden wachten voordat ze aan de beurt zijn. Bovendien klagen veel medewerkers geen ruimte of tijd te hebben voor het bieden van echt goede zorg. Zij stellen alleen maar aan symptoombestrijding te kunnen doen.

Verschillende organisaties, waaronder de kinderombudsman, luidden de noodklok. Vanwege lange wachtlijsten en de hoge werkdruk krijgen kwetsbare kinderen volgens de kinderombudsman niet meer de hulp die ze nodig hebben. Oorzaken zijn onder meer de toename van het aantal eenoudergezinnen en vechtscheidingen en daarnaast de prestatiedruk waar veel kinderen onder gebukt gaan.

Nieuwe cao voor de jeugdzorg

Werknemers en werkgevers hebben in oktober een akkoord bereikt over een nieuwe cao voor de jeugdzorg. Onderdeel van de afspraken is onder meer een loonstijging van 4 procent per januari 2020.

De partijen hebben ook besloten om maatregelen te bespreken die buiten de cao vallen, zoals het verminderen van de werkdruk. Dit overleg aan de zogenoemde ‘arbeidsmarkttafel’ wordt gefaciliteerd door het ministerie van Volksgezondheid. Jeugdzorg Nederland hoopt dat ook de gemeenten, die de jeugdzorg financieren, bij dit overleg betrokken worden.

FNV zegt in een reactie dat de problemen in de jeugdzorg nog steeds worden onderschat door de politiek. “De budgetten voor de jeugdzorg stijgen niet evenredig mee met de stijgende vraag. Sterker nog, de budgetten nemen alleen maar meer af en gemeenten buitelen momenteel over elkaar heen om nieuwe bezuinigingen aan te kondigen”, aldus Maaike van der Aar, bestuurder FNV Zorg & Welzijn.

Op 15 november voeren jeugdzorgmedewerkers weer actie bij de Tweede Kamer.

https://www.nu.nl/binnenland/6007685/aantal-jongeren-in-jeugdzorg-voor-vijfde-jaar-op-rij-gestegen.html?redirect=1