Kabinet, bied ruimte en geld voor goede opvang daklozen

Opvang voor daklozen is vaak niet goed en de toegang is beperkt, schrijft Arianne de Jong. Dat leidt tot steeds meer daklozen op straat.

Het aantal daklozen in ons land verdubbelde de afgelopen tien jaar, van 18.000 naar 39.000. En dat zijn dan nog de geregistreerde daklozen. Daklozen die illegaal in Nederland verblijven, zijn niet meegenomen in de cijfers van het CBS. De grote steden sloegen alarm, verscheidene ombudsmannen ook: ze vroegen het Rijk om minder regels en meer geld. Staatssecretaris Paul Blokhuis (Volksgezondheid, ChristenUnie) was zich „rot geschrokken” van de cijfers en zei dat we „ons moeten schamen dat we er in zo’n rijk land niet in slagen om mensen een fatsoenlijk dak boven het hoofd te bieden”. Nu volgt er een plan om dakloosheid terug te dringen, waarschijnlijk in april.

Arianne de Jong is directeur van de ngo Dokters van de Wereld, onderdeel van Médecins de Monde.

Dat is te laat. Alle vier de grote steden hebben de afgelopen tijd flink geïnvesteerd in de winteropvang. Toch is die nu al niet toereikend. Op 1 april sluiten voorzieningen voor opvang in meerdere steden en gemeentes. Dat vergroot de druk op daklozen, hulpverleners en gemeentes. Stabiele, goede opvang is broodnodig, of het nu winter is of niet. Tijd voor actie van het kabinet. Zodat opvang ook na april beschikbaar is, dag en nacht, voor eenieder die niet zonder kan.

Wie niet zeker is van goede opvang, komt nimmer toe aan herstel of eigen kracht, en vindt zo nooit de weg naar voren. De oorzaken van oplopende dakloosheid zijn zeer gevarieerd. Een tekort aan betaalbare woningen, de groeiende inkomenskloof, wachtlijsten in de ggz en een traag en inhumaan asielsysteem zijn allemaal niet simpel oplosbaar.

We weten dat elke oplossing begint bij goede opvang.

Lees ook: Zes maatregelen om dakloosheid tegen te gaan

Onrustig, ongezond, onpraktisch

Goede opvang is nu niet gegarandeerd, zo blijkt uit meerdere signalen. Soms zit die vol, of gelden voorwaarden zoals regiobinding of verblijfspapieren, en ook zitten uiteenlopende groepen daklozen bij elkaar gestopt. Een langdurig dakloze in Amsterdam beschreef de winteropvang zo: „De hele nacht het licht aan op een slaapzaal met 24 mensen, lawaai en urenlang getelefoneer.” Zaken als licht, herrie en spanning onderling maken opvang vaak onrustig en daarmee veelal ongezond. Opvang is daarnaast vaak onpraktisch: bijna al je spullen moet je op straat achterlaten, de nachtopvang sluit vaak overdag en heen en weer gesleep is het gevolg.

Wie niet zeker is van goede opvang, wie nooit rust of slaap kan vinden, komt er nimmer aan toe het heft in eigen hand te nemen. Het aanbieden van inadequate opvang en het beperken van de toegang leidt tot meer daklozen op straat. Voor hen is dat altijd een aanslag op lichaam en geest. Voor omwonenden soms een bron van zorg of overlast. Verschillende maatschappelijke instanties en ngo’s bieden in meerdere steden medische en psychische ondersteuning aan ongedocumenteerde daklozen. Zij kennen de problematiek uit de praktijk en vinden dat het zo niet langer kan.

Voor ongedocumenteerden gelden extra drempels. Vriest het niet en word je niet als ‘kwetsbaar’ aangemerkt? Dan stelt het Rijk ‘meewerken aan perspectief’ als voorwaarde voor opvang. In de praktijk betekent ‘perspectief’ meestal vertrek. Dat dit als prikkel zelden werkt, is te zien op straat. Groepen ongedocumenteerden proberen bij kou, wind en regen te overleven in tentjes, onder zeilen, of andere beschutting. Vrijwilligers hebben daar de handen vol aan.

Mohamed is een van de artsen van Dokters van de Wereld: „Ik bezoek nu tweeënhalf jaar vluchtlocaties waar ongedocumenteerden schuilen. Deze plekken waren stuk voor stuk tochtig, vochtig, en koud. In de winter zien we veel vaker infecties, mede omdat mensen dan dicht opeen slapen in tentjes en dergelijke.”

Het Rijk is aan zet

Wie niet zeker is van goede opvang, is aan het overleven en denkt niet eens aan terugkeer of vertrek. De tijd van dralen is voorbij, de nood is hoog en het Rijk aan zet. Opvang en gezondheid zijn mensenrechten, waar je ook vandaan komt. Daar mag je, volgens onze eigen rechters, geen extra voorwaarden aan stellen.

Praat mee met NRC

Onderaan dit artikel kunnen abonnees reageren. Hier leest u meer over reageren op NRC.nl .

Kabinet, laat uw papieren werkelijkheid varen. Laat die onzinnige voorwaarden los. Bied de ruimte en het geld voor goede opvang voor wie anders buiten slaapt.

lees verder >>> https://www.nrc.nl/nieuws/2020/02/27/kabinet-bied-ruimte-en-geld-voor-goede-opvang-daklozen-a3991971

Een versie van dit artikel verscheen ook in NRC Handelsblad van 28 februari 2020

 

 

 

Hoe helpt Europa zijn daklozen?

In heel Europa, inclusief Nederland, groeit het aantal daklozen. Een project dat hoopvolle resultaten boekt, krijgt nauwelijks vervolg. Om een beter beeld te krijgen, tellen Parijs en Berlijn hun daklozen. ‘Hele families in tentjes, dat zag je vroeger niet.’

Door Daan Kool & Sterre Lindhout  15 februari 2020, 05:00

Analyse DaklozenprobleemHoe helpt Europa deze mensen?

Wie in Europese steden om zich heen kijkt, ziet de sporen van mensen die overal wonen maar nergens thuis zijn. Daklozen zijn onderdeel van de stad: hun koepeltentjes in het park, hun diepliggende ogen en hun terugkerende vraag om een ‘kleine bijdrage voor de nachtopvang.’

En ze zijn met steeds meer hier in West-Europa, in landen waar het de afgelopen tien jaar economisch voor de wind ging. Landen met een lage werkloosheid, begrotingsoverschotten, landen die beroemd zijn, of waren, om hun royale sociale vangnetten.

Om een beter overzicht te krijgen, besloten Parijs en Berlijn eind januari hun daklozen te tellen. In deze ‘nacht van de solidariteit’ vonden vrijwilligers in de Franse hoofdstad zo’n 3.500 ‘buitenslapers’, zoals ze in vakjargon heten. In de Duitse hoofdstad waren het er krap 2.000.

Een uitslag die verschillende Berlijnse daklozen bij navraag ‘veel en veel te laag’ noemen. Ze zijn met minstens twee keer zoveel, schat Anja (33), die al vanaf haar 13de op straat leeft. ‘Veel collega’s hebben zich natuurlijk voor die tellers verstopt.’ In Amsterdam schat de GGD het aantal mensen dat buiten slaapt tussen de vijfhonderd en duizend.

Sowieso zijn deze buitenslapers het topje van een ijsberg. Daaronder hangt een grote groep minder zichtbare mensen zonder vaste woon- of verblijfplaats. ‘Ik ben me rot geschrokken’, was de reactie van staatssecretaris Paul Blokhuis (ChristenUnie) op de cijfers die het CBS afgelopen najaar presenteerde over dakloosheid in Nederland. Het aantal mensen dat op straat of tijdelijk in een noodopvang slaapt, blijkt de afgelopen tien jaar meer dan verdubbeld, van 18 duizend naar ruim 39 duizend.

Daarnaast zijn er in Nederland nog tienduizenden ‘residentieel daklozen’, mensen die langdurig worden opgevangen. In Frankrijk en Duitsland zijn dat vele honderdduizenden. Overigens was de schrik van Blokhuis opvallend, omdat opvanglocaties in de Nederlandse grote steden al jaren luidkeels klagen over capaciteitsgebrek.

Volgens Freek Spinnewijn, de Vlaamse directeur van FEANTSA, een door de Europese Commissie gefinancierde organisatie die de ontwikkelingen rond daklozen en daklozenbeleid in Europa volgt, bevindt Nederland zich, net als Frankrijk, Duitsland, Denemarken en Ierland ‘in de kop van het peloton van de daklozenproblematiek’.

Dat geeft te denken. Wie zijn deze mensen, en hoe worden ze geholpen?

Wie zich een dakloze voorstelt, haalt zich waarschijnlijk een man voor de geest, leeftijd moeilijk in te schatten, verweerd gelaat, sporen van verslaving. In het merendeel van de gevallen klopt dat cliché, zo blijkt uit alle tellingen en studies. Daklozen zijn vaak mannen tussen de 30 en de 50 jaar oud, alcoholist, drugsgebruiker, met psychische problemen.

‘Waarbij je dus niet weet of die problemen de kip zijn en de verslaving het ei, of precies andersom’, om met Ellen Eidt, chef van de Bahnhofsmission in Berlijn, te spreken. Deze grote inrichting waar daklozen kunnen eten, douchen en opwarmen, ligt naast Bahnhof Zoo, in de jaren tachtig van de vorige eeuw de biotoop van de jonge heroïneverslaafde Christiane F., schrijver van het autobiografische Wir Kinder vom Bahnhof Zoo.

Onder de viaducten rond het station liggen matrassen, nog steeds worden er veel drugs gedeald en gebruikt. ’s Winters komen er in de Bahnhofsmission zo’n 400 mensen per dag, een doorsnee van de daklozenpopulatie. Eidt, een kordate grijze vrouw, ziet hoe de samenstelling van haar klandizie de afgelopen jaren is veranderd.

Oost-Europeanen, voornamelijk Polen, zijn in Berlijn de grootste nieuwe groep op straat levende daklozen, zo observeerden hulpverleners de afgelopen jaren. Bij de telling mocht niet specifiek naar nationaliteit worden gevraagd, wel gaf de meerderheid van de daklozen aan uit ‘overige EU-landen’ te komen. Ook in Nederland is het aantal Oost-Europese daklozen toegenomen.

Ze komen naar West-Europa om te werken; er geldt immers vrij verkeer van personen. Maar als ze hun baan verliezen of überhaupt geen baan vinden, belanden ze op straat en verdwijnen ze in de dode hoek van de verzorgingsstaat. Ze kunnen meestal geen aanspraak maken op enige vorm van bijstand, dus ook niet op daklozenopvang.

In Amsterdam zijn Oost-Europese daklozen sinds deze winter alleen nog kortstondig welkom in de nachtopvang. Berlijnse liefdadigheidsorganisaties knijpen juist vaak een oogje toe. Toch slapen ook daar de meeste dakloze Polen, Roemenen en Bulgaren buiten.

In Parijs zijn veel op straat slapende daklozen vluchtelingen, meestal uit Afrikaanse landen, soms uit het Midden-Oosten. Papieren hebben ze zelden, recht op een verblijfsvergunning evenmin, vaak omdat ze de beruchte vingerafdruk al in Italië of Griekenland hebben gezet. Anderen willen niet in Frankrijk worden geregistreerd omdat Groot-Brittannië hun einddoel is.

Zij bevolken de tentenkampen aan de stadsranden, die eens in de zoveel tijd door de gemeente worden ontruimd. De meeste bewoners laten zich dan een poos opslokken door de zwarte gaten van de miljoenenstad, om een paar weken later elders hun kamp op te slaan.

Ellen Eidt van de Berliner Stadtmission ziet de laatste jaren ook geregeld mensen die je op straat niet als dakloze zou herkennen aanschuiven voor een warme maaltijd . Het zijn mensen zonder verslaving, soms zelfs met een baan.

Overal in Europa ontstaan de afgelopen jaren zogenaamde ‘economische daklozen’; slachtoffers van de in veel West-Europese landen verschraalde sociale voorzieningen, de tijdelijke contracten zonder sociale zekerheid en de op hol geslagen woningmarkt in veel grote steden. Het zijn mensen met huurschulden, mensen die na hun scheiding geen betaalbaar huis kunnen vinden. Het betreft jongeren, vrouwen, zelfs gezinnen.

In Nederland groeit deze groep zo onstuimig, dat de GGD een paar jaar geleden met een omstreden maatregel op de proppen kwam om de druk op de voorzieningen te verlichten. Daklozen worden gescreend op zelfredzaamheid. Wie wordt aangemerkt als ‘zelfredzame dakloze’ – het klinkt even eufemistisch als een ‘reislustige thuiszitter’ – heeft in de praktijk pech, omdat hij geen aanspraak kan maken op maatschappelijke opvang. Hij moet dus zelf maar zien waar hij slaapt, en hoe hij uit zijn benarde situatie komt.

In een brandbrief aan Mark Rutte waarschuwde de Nationale Ombudsman Reinier van Zutphen afgelopen najaar dat hij steeds vaker signalen krijgt ‘van mensen die niet zelfredzaam zijn, maar toch geen toegang krijgen tot de maatschappelijke opvang’.

Idealiter stellen Europese overheden zich hulpverlening aan daklozen ongeveer als volgt voor: een dakloze klopt aan bij een instelling voor noodhulp en komt daarna terecht in een instelling voor langdurige opvang. In de tussentijd worden eventuele verslavingen en schulden aangepakt, zodat de dakloze na ongeveer een half jaar kan uitstromen naar een sociale woning, waar hij in de gaten wordt gehouden door hulpverleners tot hij weer kan meedraaien in de maatschappij. Voilà.

In Nederland gaat het zelden zo, blijkt uit recent onderzoek van de Rekenkamers van de vier grote steden. Van duurzame verbetering, doorstroom of uitstroom is in de meeste gevallen geen sprake.

De lange wachttijden voor een eigen woning zijn de voornaamste oorzaak van de stagnatie; een gevolg van het gebrek aan sociale woningen. Ook in Duitsland en Frankrijk wonen honderdduizenden mensen jarenlang in opvangcentra terwijl ze weinig kans hebben op een eigen huis. Cijfers over het aantal daklozen dat succesvol re-integreert zijn in geen van de drie landen beschikbaar.

En toch bestaat er in bijna alle Europese landen een pilotproject dat hoopvolle resultaten oplevert. Het heet Housing First en komt oorspronkelijk uit de VS en Canada. De opzet is simpel: je geeft daklozen, verslaafd of niet, eerst een eigen huis. Daarna ga je kijken wat er aan andere problematiek moet worden opgelost.

De huur wordt, zolang nodig, betaald door de overheid of een liefdadigheidsinstelling, die ook regelmatig een sociaal werker stuurt. Minstens 80 procent van de daklozen die op deze manier een eigen huis krijgt, blijft daar langdurig wonen, raakt verankerd in de buurt en daardoor in de maatschappij. In Finland is het aantal daklozen met dank aan Housing First teruggelopen van 19 duizend naar 5.000, van wie er nog maar 200 op straat leven.

Maar hoe komt het dat er in de rest van de EU, het collectieve enthousiasme ten spijt, nog maar enkele tienduizenden Housing First-woningen bestaan? Freek Spinnewijn van FEANTSA denkt dat instellingen aanhikken tegen de transitie die dat teweegbrengt. Met het huidige systeem van langdurige opvang zijn in landen als Duitsland en Frankrijk miljarden gemoeid. Er zijn veel banen aan verbonden. Maar ook hier is het grootste obstakel de huizenmarkt. Bouw maar eens een paar duizend sociale huurwoningen, geoormerkt voor ex-daklozen, in een stad met Amsterdamse huizenprijzen.

Natuurlijk zijn daar creatieve oplossingen voor te bedenken. In Amsterdam loopt sinds een paar jaar het kleinschalige project Onder de pannen, een initiatief waarmee mensen een kamer in hun huis aan een dakloze kunnen verhuren.

Maar er speelt meer dan alleen praktische bezwaren. Spinnewijn constateert ook een gebrek aan politieke wil om het dak- en thuislozenprobleem echt op te lossen. De meeste beleidsmakers zijn tevreden als daklozen worden ‘gemanaged.’ Als ze niet te zichtbaar zijn en er ’s winters niemand bevriest, is het wel best.

Daklozen zijn geen sexy protagonisten voor een politieke of publieke campagne, zegt Spinnewijn. Retorisch: ‘Hoe realistisch is het dat Mark Rutte binnenkort met veel tromgeroffel een campagne lanceert om dakloosheid te bestrijden?’

Brussel loopt ook niet echt warm voor de daklozenproblematiek. Dat buitenslapers uit Oost-Europa een direct gevolg zijn van het vrije personenverkeer in de EU, vergeten ze er liever. ‘Bij Eurostat heb je statistieken over alle soorten vis die er in de Europese zeeën rondzwemt, maar er bestaat geen enkele statistiek over daklozen.’

Dat zie je ook terug in de vlaag media-aandacht die er in Frankrijk en Duitsland was rond de tellingen: de meeste bijdragen gaan over atypische daklozen, vrouwen, of over mensen die ’s nachts in de noodopvang slapen maar ’s morgens wel op tijd naar hun werk gaan – zij die in Nederland als zelfredzaam worden bestempeld. Deze daklozen wekken mededogen bij mensen die wel een plek hebben om thuis te komen. Mannen van middelbare leeftijd met een alcoholprobleem doen dat meestal niet.

Reportage Daklozen ParijsDaklozen tellen in Parijs: ‘Waar slaapt u vannacht?’

‘Lastig, heel lastig’, fluistert Gwenaëlle Gontier terwijl ze knikt naar een man die in het schijnsel van de straatverlichting een sandwich zit te eten. Normaal gesproken niets alarmerends, maar zijn bagage (twee volgestouwde plastic tassen) en het tijdstip (bijna middernacht) brengen de 38-jarige onderwijzeres aan het twijfelen.

‘Wat denken jullie? Misschien zit hij wel gewoon rustig zijn broodje te eten en gaat hij daarna naar huis.’

Gontier is een van de 1.700 vrijwilligers die meedoen aan de Nuit de la Solidarité, een daklozentelling in Parijs. Tijdens een twee uur durende cursus heeft ze geleerd dat je geen slapende daklozen moet wakker maken, niet zomaar tentjes moet openritsen en daklozen nooit moet tutoyeren. Maar waaraan zie je of een potentiële dakloze daadwerkelijk dakloos is?

Ze besluit het even aan te kijken. ‘We komen hier straks weer langs. Als hij er dan nog zit, spreken we hem aan.’

In zekere zin horen daklozen bij Parijs. Van verlopen oudere clochards die in al dan niet beschonken toestand om kleingeld vragen, kijkt geen Parijzenaar op. Iedere wijk, elke straathoek haast, heeft zijn eigen buurtzwerver. De stad heeft relatief veel voorzieningen voor daklozen en trekt hen dan ook als een magneet aan, vanuit heel Frankrijk en ver daarbuiten.

Maar het aantal ‘SDF’ (sans domicile fixe, ‘zonder vaste woning’) is de afgelopen decennia zienderogen toegenomen. ‘Hele families in tentjes of onder viaducten, dat zag je vroeger niet’, zegt Gontier.

In navolging van New York introduceerde Parijs twee jaar geleden een jaarlijkse daklozentelling. Gewapend met enquêteformulieren en zaklampen en gehuld in lichtblauwe hesjes trekken 400 equipes – elk bestaande uit drie à vier vrijwilligers en een professionele begeleider – door de nachtelijke straten. Ook in parken, parkeergarages en metrostations wordt geteld, zij het niet door vrijwilligers.

Het totale aantal getelde daklozen – dit jaar 3.552, ietsje minder dan vorig jaar – zegt niet zo veel; willekeurige factoren als het weer kunnen de telling beïnvloeden. De gemeente hoopt vooral de specifieke noden van de personnes en situation de rue in kaart te brengen. In één opzicht is het project in elk geval een succes: er meldden zich zoveel vrijwilligers aan dat de gemeente mensen moest teleurstellen.

‘Hebben we deze straat nou al gehad?’ Groepsleider en sociaal werker Fany Piesseau (49) tuurt naar het kaartje van ‘haar’ gebied, een relatief arme buurt in het noordoosten van de stad. Om doublures te voorkomen moeten de tellers zich nauwgezet aan de voorgeschreven route houden.

Piesseau was aanvankelijk sceptisch. Mensen tellen alsof het tuinvogels betreft, dat klonk bedenkelijk. Maar toen ze zag dat de gemeente de uitkomsten van de eerste telling gebruikte voor concrete beleidsmaatregelen, zoals meer opvanglocaties voor vrouwen, ging ze overstag.

Voor de dichte rolluiken van een beautysalon zit een man met een thermomuts en twee jassen over elkaar op een betonnen paaltje. Als Gontier hem vraagt waar hij de nacht gaat doorbrengen, kijkt hij haar glazig aan. ‘English?’ De man knikt. Hij komt uit Bangladesh en is via Italië in Frankrijk beland, vertelt hij in gebroken Engels. Het tentenkamp waar hij verbleef is drie dagen geleden door de politie ontruimd. Sindsdien zwerft hij door de stad.

‘Weet u waar u zich kunt wassen?’, vraagt Gontier in het Frans. Ze wrijft haar handen over elkaar, alsof ze zich wast. ‘Wash?’

Hoeveel sans-papiers, ongedocumenteerde asielzoekers, er onder de Parijse daklozen zijn, blijft onbekend. De enquêtes worden anoniem afgenomen; naar afkomst wordt niet gevraagd. De leeftijd en het geslacht van de ondervraagde daklozen wordt wel genoteerd. De eerste telling bracht aan het licht dat het aantal vrouwen op straat veel hoger is dan voordien werd aangenomen. Waar Insee (Institut national de la statistique et des études économiques) uitging van 2 procent, bleek in werkelijkheid 12 procent van de daklozenpopulatie uit vrouwen te bestaan.

Veel hulporganisaties vinden dat de gemeente Parijs lang te weinig deed voor ‘de vergetenen van de Republiek’. Inmiddels is er aan goede bedoelingen – en een wirwar aan ‘actieplannen’, ‘structuren’ en ‘speerpunten’ – geen gebrek. Toch is het aantal mensen op straat niet teruggedrongen. ‘We doen van alles, en kennelijk toch niet genoeg’, zegt Piesseau.

Waar hij behoefte aan heeft? De 38-jarige Stéphane moet er lang over nadenken. Sinds oktober is hij dakloos. In de opvang waar hij belandde, werd al na één nacht zijn rugzak gejat. Sindsdien woont hij in een eenpersoonstentje op een smalle modderstrook, omringd door verfomfaaide plastic tassen, platgetrapte bierblikken en natgeregende slaapzakken. Voor de tent ligt een crackpijpje.

Stéphane heeft af en toe moeite om aan voldoende eten te komen, vertelt hij schoorvoetend. Nadat hij drie keer beleefd heeft afgeslagen, neemt hij het verpakte Madeleine-cakeje aan dat Gontier hem aanbiedt.

Verder heeft hij niets te klagen. Nee, geen last van jongeren in de buurt. En hij slaapt ook prima (‘daar heb ik wat voor, mevrouw’). Of hij verder nog iets zou willen? Tja, een huis, zegt Stéphane lachend. En beetje geld zou ook niet verkeerd zijn. ‘Maar dit is de straat, hè. Hier heb je niet veel te willen.’

Portretten dakloos in Amsterdam, Berlijn en Parijs

‘Bijna mijn hele uitkering gaat op aan kost en inwoning’

Chahid Aaddi (50) Amsterdam

‘Hoofdzaak is dat je een groep hebt waar je bij hoort’

Anja (33), Berlijn

‘Na de dood van mijn vrouw deed het pijn alleen thuis te zijn’

Thomas (53), Berlijn

‘Als je op straat leeft, zie je van alles’

Tony (25), Parijs

‘Ik word heel vaak door agenten weggestuurd’

Omar (32), Parijs

‘Het besef dat je dakloos bent, beheerst je gedachten’

Stephan (34), Amsterdam

 

Half december stond hij ineens op straat na de breuk met zijn vriendin. De woning is eigendom van de vader van de vriendin. ‘Daar sta je dan’, blikt de meubelmaker terug, vanuit zijn werkplaats in Amsterdam-oost. ‘Ik heb een bootje. Daar heb ik de eerste paar nachten geslapen. Geen verwarming. Niet te doen.’

Daarna werd het ‘van bank tot bank hoppen’ bij vrienden. Te kort ingeschreven staan bij Woningnet, particuliere verhuurders vragen idiote bedragen en vinden zijn inkomsten te laag, dan is ineens de woningschaarste heel tastbaar. ‘Ik bleef wel werken, ben eigen baas, maar het besef dat je dakloos bent blijft je beheersen.’

Na vergeefse pogingen om iets tijdelijks te vinden (‘Antikraak heb je ook al bijna niet meer’), googelde hij toch maar de woorden ‘dakloos’ en ‘hulp’ . ‘Ik moest wel. Bij dakloos past zo’n beeld van een probleemgeval, iemand die niet voor zichzelf kan zorgen. Daar moet je je overheen zetten.’

Nu is hij plots ‘cliënt’ van de Regenboog Groep, een maatschappelijk organisatie die zich inspant voor ‘kwetsbare Amsterdammers’. Niet nadat hij, zo is de procedure,

 

lees verder >>> https://www.volkskrant.nl/kijkverder/v/2020/hoe-helpt-europa-zijn-daklozen~v90876/

Door Marcel van Lieshout

Minder jeugdhulp? Zorg voor een ontspannen samenleving

 

Ggz Spreek niet te snel van psychische problemen bij individuele jongeren, maar dring de prestatiemaatschappij terug, schrijven Gert Schout en Bert Wienen.

De crisis in de geestelijke gezondheidszorg kan niemand zijn ontgaan. Voorafgaand aan het Tweede Kamerdebat van afgelopen woensdag legde hoogleraar en psychiater Jim van Os de vinger nog eens op de zere plek (Chronisch zieken worden te ingewikkeld gevonden, 22/1). Vijf tips had hij voor Tweede Kamerleden, „om de ggz vlot te trekken”. Behartenswaardige tips. Maar bij een van de tips bijt Van Os zich in de eigen staart. Van Os beveelt aan: „Stop met de medicalisering van alle leed; maak mensen weerbaar”. Deze tip veronderstelt dat de medicalisering komt doordat mensen niet weerbaar zijn. Of anders, als mensen meer weerbaar zouden zijn, dan zou er minder medicalisering zijn.

Gert Schout is senior onderzoeker, verbonden aan het Amsterdam UMC. Bert Wienen is onderzoeker bij het Lectoraat Jeugd, Windesheim Zwolle

Maar dan ziet Van Os een belangrijk punt over het hoofd en juist dat zou voor politici een belangrijk onderwerp moeten zijn. Van Os stelt: „Stress, werkdruk, perfectionisme, de nadruk op succes en uiterlijk vertoon – maak kinderen en tieners weerbaar zodat ze met de eisen van deze tijd kunnen omgaan. Dat is echt een publieke taak.” Van Os maakt nu echter van het gebrek aan weerbaarheid een individueel probleem. Maar juist dat neerleggen bij het individu is een probleem, en daarmee hou je de ogen dicht voor de olifant in de kamer. Namelijk dat we zelf een samenleving hebben gecreëerd waarin concurrentie, stress en werkdruk worden gestimuleerd. Daaraan zouden Tweede Kamerleden iets moeten doen. Dát is een publieke taak.

Steeds meer kinderen krijgen jeugdhulp, de aantallen blijven maar stijgen. In sommige gemeenten krijgt maar liefst een op de acht kinderen te maken met een vorm van jeugdhulp en meer dan vierduizend kinderen zitten noodgedwongen thuis. We zien hier individualisering en medicalisering: problemen worden toegeschreven aan kinderen en jongeren, en de oplossing moet van geestelijke gezondheidszorg komen.

Gezien de stijging van het aantal kinderen dat jeugdhulp nodig heeft wordt kennelijk steeds vaker de vraag gesteld: ‘Wat mankeert dit kind?’ De vraag veronderstelt een biomedisch probleem. De oorzaak en oplossing van het probleem worden in het kind gezocht. Niet kunnen voldoen aan de overspannen verwachtingen wordt al gauw beleefd als een persoonlijk falen. De inzet van jeugdhulp en een diagnose biedt dan voor kinderen, ouders en leerkracht een uitweg. Het werkt ontschuldigend; zie je wel, het ligt niet aan mij.

Concurrentiedrift en prestatiedrang

Nu is Nederland de meest competitieve economie van Europa en wereldwijd van plek zes naar plek vier gestegen in de ranking voor economisch concurrentievermogen. Moeten we daar blij mee zijn? Over de schaduwkant van groei en concurrentiedrift voor milieu en mens is al veel geschreven. Maar ook in het onderwijs zien we een keerzijde. Het onderwijs is steeds meer een wedstrijd geworden. CITO-scores, tussentijdse toetsen, targets, opgeschroefde normen bij vervolgonderwijs, hogere verwachtingen van ouders, openbare prestatielijstjes van scholen – de voortdurende druk op kinderen en onderwijzers is enorm.

Lees ook: Psychiaters zijn nu supersterren, wat zegt dat over deze tijd?

Is het niet eens tijd om de prestatiedruk temperen? Kunnen we de kracht van de markt en de targets dempen? Kunnen we een werkstijl ontwikkelen om ‘het eenvoudig te houden’? Dan kunnen we ophouden met de problemen bij individuele tieners neer te leggen, die weerbaar gemaakt moeten worden „zodat ze met de eisen van deze tijd kunnen omgaan”.

Minder prestatiedruk in klaslokaal en huiskamer

Wie goed kijkt ziet een wipwap met aan de ene kant een stijgende geldstroom richting de jeugdhulp en aan de andere kant een afnemende geldstroom richting sportclubs, bibliotheken, muziekscholen, toneel en andere culturele voorzieningen; het bindweefsel van de samenleving. De plekken waar kinderen zich in rust kunnen ontwikkelen en de wereld kunnen ontdekken. Hier gaat iets mis.

Als we het tij willen keren moeten we de prestatiemaatschappij tussen haakjes zetten: niet alleen in het klaslokaal en de huiskamer, maar zeker ook in de Tweede Kamer. Een mooie, zesde tip aan Kamerleden zou zijn: onderzoek hoe we zo snel mogelijk af komen van onze eerste plaats op de Europese ranglijst van concurrerende economieën.

https://www.nrc.nl/nieuws/2020/01/23/minder-jeugdhulp-zorg-voor-een-ontspannen-samenleving-a3987955

Deze zes maatregelen helpen om dakloosheid tegen te gaan

Dakloosheid Andere regels rond uitkeringen en uitzettingen, noodwoningen en andere voorstellen om veel meer mensen een woning te laten houden of krijgen.

5 december 2019 om 16:40

Leestijd 2 minuten

Het aantal daklozen is in tien jaar verdubbeld tot 39.000. Het kabinet liet in augustus weten zich „te schamen” dat het „in zo’n rijk land” niet lukt om mensen een fatsoenlijk dak boven het hoofd te geven. De Nationale Ombudsman Reinier van Zutphen riep het kabinet dinsdag op om actie te ondernemen. „Met de schaamte van het kabinet lossen we het acute huisvestings- en daklozenprobleem niet op.”

Deze zes maatregelen stellen vakmensen voor om dakloosheid terug te dringen.

1.De kostendelersnorm aanpassen

In 2015 voerde het Rijk de ‘kostendelersnorm’ in. Mensen met een bijstandsuitkering worden gekort als er een volwassene bij hen woont. Het idee is dat ze de kosten voor boodschappen, gas, licht en water kunnen delen, en dat de andere volwassene ook een bron van inkomsten heeft. „Sindsdien zijn er veel meer 21- en 22-jarige daklozen”, zegt Mirjam Hakkenbroek van het daklozenteam van de gemeente Delft. Zij worden door hun ouders uit huis gezet.

Door de kostendelersnorm is het voor mensen met een uitkering nadelig om iemand in huis te nemen. De hoofdbewoner kan soms door de gedaalde inkomsten de vaste lasten niet meer betalen, zegt Hakkenbroek. Ze pleit ervoor de inwonende eventueel te korten, maar níet de hoofdbewoner. „Degene die de vaste lasten moet betalen, zou een inkomen moeten hebben waarmee dat kan.”

Lees ook deze reportage: In de noodopvang voor een lekker matras, een warme douche en een bord zuurkool

  1. Noodwoningen bouwen

In 2006 was er ook een „epidemie aan mensen die op straat sliepen”, vertelt Rina Beers, beleidsadviseur van de Federatie Opvang. „Toen gingen ambtenaren in de vier grote steden letterlijk rondfietsen op zoek naar veldjes en lege overheidsgebouwen waar noodwoningen gebouwd konden worden.” Dat moet opnieuw gebeuren, vindt Beers. Zodat de doorstroming aan de onderkant van de huurmarkt op gang komt. „Je kunt ook woningen splitsen, omdat er steeds meer eenpersoonshuishoudens zijn.”

  1. Minder beslag leggen op de inboedel

Een andere reden voor de groei van het aantal daklozen is het inboedelbeslag. Heb je schulden, dan moet je duidelijk hebben vastgelegd welke spullen van jou zijn en welke van de hoofdbewoner – anders neemt de deurwaarder alle spullen mee. Alle reden om iemand met schulden je huis uit te zetten. Volgens Hakkenbroek zou er geen beslag gelegd moeten worden op inboedel beneden een bepaalde grens. „Dingen als wasmachines en tv’s zouden er niet onder moeten vallen. Die zijn weinig waard, dus zo’n inbeslagname lost de schulden niet op, maar is wel vervelend.”

  1. Niet uitzetten om hennepteelt

Een huurder die hennep teelt op zolder, voor de verkoop, wordt „zonder pardon” uit huis gezet. In maart 2019 (de meest recente cijfers) stonden bij de Rotterdamse corporatie Havensteder 247 mensen geregistreerd die uit huis waren gezet wegens drugsteelt en er de komende vijf jaar geen woningen mogen huren.

Als de corporatie een drugstelende huurder niet uitzet, doet de burgemeester het wel. Dat heet een ‘burgemeesterssluiting’. Volgens oud-gevangenisdirecteur Frans Douw is dat zinloos: „Natuurlijk moet je de teelt aanpakken en iemand helpen zijn schulden te verminderen. Maar iemand op straat zetten, creëert dakloosheid.”

Overigens zetten alle woningbouwcorporaties de afgelopen drie jaar veel minder huurders het huis uit wegens huurachterstand. Havensteder zette in 2019 75 mensen uit huis op die grond, tegen 365 in 2016. „Vanaf de allereerste betaling die niet geschiedt, nemen we contact op met de huurder en gaan we van alles verzinnen om hen te helpen met betalen.”

lees verder >>> https://www.nrc.nl/nieuws/2019/12/05/deze-zes-maatregen-helpen-om-dakloosheid-tegen-te-gaan-a3982813

Gemeenten moeten jeugdzorginstellingen beter betalen van rechter

Nieuws Jeugdzorg

Tien gemeenten in de Haagse regio moeten van de rechter jeugdzorginstellingen hogere tarieven gaan betalen voor de zorg die ze leveren. Dat heeft de rechtbank Den Haag dinsdag bepaald in een kort geding, dat was aangespannen door de instellingen.

Tom Kreling 22 oktober 2019, 18:53

Volgens de rechter zijn de tarieven die de gemeenten op dit moment aanbieden niet kostendekkend en daardoor in strijd met de eisen uit de Jeugdwet. Het gaat om de gemeenten Den Haag, Delft, Midden-Delfland, Leidschendam-Voorburg, Pijnacker-Nootdorp, Rijswijk, Voorschoten, Wassenaar, Westland en Zoetermeer. Die hadden de jeugdzorginstellingen nieuwe tarieven aangeboden voor de periode 2020 tot en met 2024

Volgens de instellingen waren die tarieven volstrekt ontoereikend en konden ze daarvoor geen werk leveren. Maar ze moesten wel op het werk inschrijven, omdat ze anders met lege handen zouden staan. Jeugdzorginstelling Jeugdformaat besloot daarop naar de rechter te stappen en andere instellingen sloten zich bij de procedure aan.

Een van de problemen in de nieuwe contracten die de gemeenten aanboden, was dat zogeheten ‘indirect’ contact met cliënten niet langer declarabel was. Een hulpverlener is echter vaak veel tijd kwijt met zaken die heel belangrijk zijn voor de hulpverlening, maar waarbij er niet direct contact met de cliënt is. Bijvoorbeeld het lezen van dossiers en overleg met andere personen dan de cliënt zelf, zoals betrokkenen van school, gezin en werk. Een ander voorbeeld is de beperkte reistijd die de gemeenten in de tariefberekening hadden meegenomen.

Kostendekkend

Advocaat Tim Raats zegt namens Jeugdformaat erg blij te zijn met de uitspraak. ‘Het vonnis geeft kansen om tot kostendekkende tarieven te komen.’ De uitspraak van de Haagse rechtbank kan volgens hem ook gevolgen hebben voor de tarieven die andere gemeenten in Nederland betalen aan instellingen. ‘Er ligt nu een aantal uitspraken van rechtbanken en gerechtshoven over tarieven en voorwaarden voor jeugdhulp. Daaruit blijkt dat gemeenten simpelweg kostendekkende tarieven moeten hanteren.’ De advocaat van de gemeenten was vooralsnog niet bereikbaar voor commentaar.

Deze week verscheen een rapport van de zorginkoopcoöperatie Intrakoop over de financiële situatie van jeugdzorginstellingen. Die is volgens het rapport

lees verder >>> https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/gemeenten-moeten-jeugdzorginstellingen-beter-betalen-van-rechter~bbc89f60/?utm_source=link&utm_medium=app&utm_campaign=shared%20content&utm_content=free

Leven op straat Telling CBS

Aantal daklozen in tien jaar meer dan verdubbeld

Het aantal daklozen is in tien jaar tijd meer dan verdubbeld naar 39 duizend. Dat blijkt uit nieuwe cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). In werkelijkheid is het daklozenprobleem nog veel groter. Thuislozen – mensen die permanent in daklozenopvang wonen – mocht het CBS van het opdrachtgevende ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport niet meerekenen.

Wil Thijssen23 augustus 2019, 0:01

‘Dat stond expliciet in de opdracht’, zegt CBS-woordvoerder Tanja Traag. Ook uitgeprocedeerde asielzoekers en wachtenden voor de geestelijke gezondheidszorg (ggz) zijn niet meegeteld. Hoeveel illegalen in Nederland verblijven, is onbekend. Ook het aantal verslaafden en andere hulpbehoevenden die op een ggz-wachtlijst staan, is niet te achterhalen. ‘De daklozen onder deze twee groepen zouden het totale aantal nog veel hoger maken’, zegt Traag.

De afgelopen tien jaar is het aantal relatief jonge daklozen, van 18 tot 30 jaar, verdrievoudigd. Over de oorzaken van de toename van het aantal vooral jongere daklozen heeft het CBS geen harde gegevens, maar wel vermoedens. Geënquêteerde jongeren zeggen dat ze niet aan het werk komen door ziekte of arbeidsongeschiktheid. ‘Het is een opmerkelijke tendens die we al langer zien, dat juist jongeren dit als oorzaak noemen’, zegt Traag.

Daarnaast krijgen mensen met schulden het steeds moeilijker doordat het dagelijks leven duurder is geworden. Sommigen kunnen daardoor hun woning niet meer betalen. Daarbij valt op dat vooral mensen die langere tijd in een sociaal-economisch slechte positie zitten dakloos worden, zegt de CBS-woordvoerder. ‘Dus niet, zoals vaak wordt aangenomen, mensen die plotseling met acute problemen kampen, zoals een scheiding of baanverlies.’

Kostendelersnorm

Zeker is volgens Traag dat de ‘kostendelersnorm’, die in 2015 werd ingevoerd, mensen dakloos heeft gemaakt. Dat is een regeling die voorschrijft dat een uitkering wordt verlaagd naarmate meer volwassenen een woning delen. ‘Men vreesde toen al dat ouders tegen volwassen kinderen, of huisgenoten onder elkaar, zouden zeggen: je moet het huis uit, anders word ik gekort of raak ik mijn uitkering kwijt. Dat dit gebeurt, zien wij nu in de cijfers terug.’

Ook speelt bij de stijging van het aantal daklozen ‘zeer waarschijnlijk’ een rol dat het aantal verwarde mensen op straat toeneemt als gevolg van het feit dat de ggz de afgelopen jaren het aantal bedden voor deze groep heeft afgebouwd. Maar een hard verband tussen toenemende ggz-wachtlijsten en het stijgende aantal daklozen is vooralsnog niet te leggen, omdat de CBS-onderzoekers geen zicht hebben op die wachtlijsten.

Het aantal mensen met een niet-westerse migratieachtergrond neemt toe en zij raken soms dakloos. Het gaat om een sociaal-economisch zwakkere groep met een gemiddeld genomen lager opleidingsniveau. Ook hier speelt de kostendelersnorm een rol – velen van hen wonen samen op hetzelfde adres. In deze groep gaat het voor een groot deel om jongeren, wat deels de toename van het aantal jongere daklozen verklaart.

Slapen in de open lucht

Met ‘daklozen’ worden in dit onderzoek de ‘feitelijk daklozen’ bedoeld: mensen die slapen in de open lucht of in overdekte openbare ruimten zoals portieken, fietsenstallingen, stations, winkelcentra of een auto, of mensen die slapen in tijdelijke (nood)opvang, of op niet-structurele basis bij vrienden, kennissen of familie omdat ze geen eigen verblijfplaats hebben.

lees verder >>>>> https://www.volkskrant.nl/nieuws-achtergrond/aantal-daklozen-in-tien-jaar-meer-dan-verdubbeld~b8df57f8/

Drie maanden woonde Octavia in een tentje zonder dat iemand erachter kwam

Dit zijn de dakloze jongeren van Amsterdam

Octavia hing in het Amsterdamse Vondelpark rond, Sander meldde zich in de Havenstraat: twee leden van het groeiende leger jonge daklozen vertellen hoe het kwam.

Door: Haro Kraak 24 juli 2017, 19:30

 

Op straat zul je ze niet zo snel als zodanig herkennen, maar dakloze jongeren vormen een groeiende groep, vooral in de grote steden. Van de 31 duizend daklozen in Nederland waren er in 2016 ruim 12 duizend jonger dan 30 jaar, volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Een jaar eerder waren dat er nog 8 duizend.

De stijging is opmerkelijk, zeker omdat het totale aantal daklozen ongeveer gelijk bleef. Het gebrek aan goedkope woningen in de grote steden en het strengere huisuitzettingsbeleid van corporaties zijn, volgens het CBS, de belangrijkste oorzaken van de groeiende groep dakloze jongeren.

En er speelt nog iets: als een ouder met een bijstandsuitkering een volwassen kind in huis heeft, wordt de uitkering gekort. Die ‘kostendelersnorm’ werd in 2015 ingevoerd. Daardoor zien sommige ouders zich genoodzaakt hun kind de deur te wijzen. Ook bezuinigingen in de psychiatrische zorg leiden ertoe dat jonge probleemgevallen vaker op straat belanden.

Bedelen bij de supermarkt doen dakloze jongeren zelden en hun gezicht is nog niet getekend door jarenlang ongezond leven

In de media gaat het vaak over verwende millennials die van festival naar festival hoppen en de terrasjes in de binnensteden bevolken, in werkelijkheid is het stadsleven voor veel jongeren veel te duur. De stad trekt, maar ze verdwijnen er in de rafelranden: op straat of in de opvang.

Bedelen bij de supermarkt doen dakloze jongeren zelden en hun gezicht is nog niet getekend door jarenlang ongezond leven. Bovendien zorgen ze er meestal voor dat hun kleren niet stinken en dat hun haar goed zit. Wie zijn die jongeren? De Volkskrant laat twee van hen aan het woord.

Octavia

Octavia in het Vondelpark. © Stefanie Gratz

‘Is dit het leven dat je wilt leiden?’

Octavia woonde al een paar weken in het Vondelpark toen ze haar vader tegenkwam. Het was een zonnige dag. Ze stond met een groepje vrienden te praten en zag dat iemand naar hen stond te kijken. Ze schrok toen ze besefte wie de man op de fiets was. De laatste keer dat ze haar vader had gezien of gesproken, was toen ze thuis op haar 20ste haar spullen had gepakt en zei dat ze naar haar werk ging. Dat was een maand geleden.

‘Is dit het leven dat je wilt leiden?’, vroeg hij die middag in het park.

Dat moest híj zeggen, dacht ze: haar vader verdiende al jaren zijn geld als dealer in Amsterdam. ‘Ja’, zei ze, ‘dit is wat ik wil.’ Haar hart ging tekeer. Ze dacht dat hij het er niet bij zou laten zitten, maar zonder verder iets te zeggen stapte hij op zijn fiets en vertrok.

Het had allemaal niet zo hoeven lopen. Als haar vader, een Surinaamse man van 63, Octavia niet zo streng en ouderwets had opgevoed, was ze nooit weggelopen, was ze nooit begonnen met liegen. Maar ze mocht niets, helemaal niets. Het was alsof ze geen adem kon halen thuis.

Juist omdat haar vader als dealer de gevaren van het uitgaansleven goed kende, hield hij haar kort. Ze mocht niet naar feestjes, ze mocht geen vriendinnen mee naar huis nemen. Het enige waarvoor ze deur uit mocht, was haar werk als serveerster. Dat was dus de ideale smoes: ik moet werken, het loopt uit, ik ben later.

Vondelparkgroep

Streetcornerwork

De interviews met Sander en Octavia kwamen tot stand dankzij bemiddeling van Streetcornerwork, een non-profitorganisatie die dakloze, verslaafde en kwetsbare jongeren helpt. Veldwerkers leren de jongeren kennen op straat. Vervolgens brengen ze de jongeren in contact met de juiste instanties om hun problemen aan te pakken, bijvoorbeeld schuldsanering. Streetcornerwork is gevestigd in Amsterdam, Haarlem, Heemstede, Heemskerk, Velsen en Woerden.

© Stefanie Gratz

En dan ging ze naar het park. Met een groep jongeren, van 13 tot 30, hing ze rond, lag ze op het gras en gebruikte ze drugs. Pillen in het begin. Bijna elke dag. Als het lekker weer was, nam ze xtc en tripte ze in de zon. Hun favoriete plek was bij de brug, waar tramlijn 3 overheen rijdt en waaronder de zwervers hangen.

Aardige mannen, vond ze. De oudere daklozen zorgden voor de jongeren, letten op dat ze niet te veel drugs gebruikten en dat ze niet werden lastiggevallen.

Op mooie dagen waren ze soms wel met 150 mensen, een man of dertig woonde in het park, de rest sloot zich aan als ze zin hadden. Het was een gevarieerde groep: van gymnasiast tot schooluitvaller, in alle kleuren. Bij instanties – de politie, de ggd en hulporganisaties – stonden ze bekend als de Vondelparkgroep. Octavia voelde zich vrij als ze bij hen was. De buitenbeentjes kwamen bij elkaar; samen waren ze geen buitenbeentjes meer. Bij gebrek aan een echte familie werd de Vondelparkgroep haar nieuwe familie. Toen ze eenmaal van de vrijheid had geproefd, wilde ze meer. Ze wilde niet meer liegen tegen haar vader.

Ranzig

Een stabiele thuissituatie heeft de inmiddels 23-jarige Octavia nooit gehad. Haar vader heeft vijf kinderen bij drie vrouwen. Haar moeder heeft zeven kinderen. Ze zat de hele jeugd van Octavia in de gevangenis. Op haar 19de ontmoette Octavia haar moeder voor het eerst.

De eerste vier jaar van haar leven woonde ze bij haar oom en tante. Daarna tot haar 8ste bij haar vader. Vervolgens moest Octavia voor twee jaar naar een tehuis. Vanaf haar 10de woonde ze weer bij haar vader. Totdat ze op haar 20ste het huis verliet en een koepeltentje opzette in de bosjes van het park.

Drie maanden woonde ze met twee anderen in dat tentje zonder dat iemand erachter kwam. Ja, het werd wel ranzig na een tijdje. Maar ze sliep meestal toch niet daar. De nacht haalde ze door met de anderen, strak van de speed en de pillen. Overdag sliep ze in het gras.

Ze gebruikte alles door elkaar: coke, speed, 2cb, lsd, truffels

Ze werkte toen allang niet meer. Geld leende ze van vrienden. Of ze máákte geld. Een fiets die ergens niet op slot stond, nam ze mee en verkocht ze voor een tientje aan andere daklozen. Eén keer per week kwam een fietsenhandelaar langs die de fietsen van hen weer overnam. Soms jatte ze wat te eten bij de Albert Heijn. Door het drugsgebruik boeide het haar allemaal niet meer of ze werd gepakt of ze de bak in zou gaan – dan zou ze in elk geval een bed en een boterham krijgen toch? Ze heeft er geen spijt van, eindelijk kon ze doen wat ze wilde.

Het is eigenlijk een wonder dat het zo lang goed ging. Ze gebruikte alles door elkaar: coke, speed, 2cb, lsd, truffels. Dat deed iedereen. Niemand kreeg een overdosis. Ze werd niet lastiggevallen. Ja, er was af en toe een vechtpartijtje, maar dat lokte de groep vaak zelf uit. Wie aan één van hen zat, zat aan hen allemaal. Toch blijft het niet lang leuk, elke dag drugs gebruiken. In een paar maanden was ze 35 kilo afgevallen, van een fors meisje van 95 kilo was ze een dunne spriet geworden.

Winteropvang

En het werd kouder. De winteropvang was een stuk minder leuk dan het park. Na tien maanden leven in het park, ging ze op gesprek bij de ggd. Na een screening werd besloten dat ze moest afkicken, een detox van twee weken.

In de kliniek besefte ze pas goed waar ze mee bezig was. Octavia was de jongste van een groep verslaafden. Een man van 30 was al vijftien jaar cokeverslaafd en had de vreselijkste dingen meegemaakt. Als ik nu niet stop, dacht ze, word ik net zo.

Nu woont ze met een ander meisje in een appartement in Geuzenveld, in een begeleid woontraject. Ze werkt in de keuken van een hotel, met fijne collega’s. Geen van de mensen uit de Vondelparkgroep woont nog in het park, maar ze zien elkaar nog wel. Gewoon, in een huis.

Sander

Het Amsterdamse W. H. Vliegenbos waar Sander verbleef, nadat hij door zijn moeder de deur was uitgezet. (De man op de foto is niet Sander Roos, hij wilde liever niet op de foto) © Stefanie Gratz

De eerste keer dat Sander de winteropvang binnenkwam, besefte hij dat dit het dieptepunt was van zijn leven. Het was begin januari en steenkoud. Hij vergeet nooit de geur op zaal: een mengeling van tweedehandskleren, oude koffie, peuken en zweet, vooral zweet.

In het voormalige huis van bewaring op de Havenstraat in Amsterdam zag Sander de andere toekomstlozen: mensen die verslaafd of psychotisch zijn, al jaren op straat leven, stinkende zwervers en trillende junkies. En daar zat hij tussen, een jongen van 24, zonder opleiding, geen plan voor de toekomst.

Dit is niet mijn leven, besloot hij. Zo kan het niet langer.

Liever had Sander nog steeds buiten geslapen, zoals hij al ruim drie maanden deed, maar hij wist dat hij vier weken in de winteropvang moest overnachten als hij iets aan zijn situatie wilde veranderen. Alleen zo kon hij bewijzen aan de Dienst Werk en Inkomen (DWI) dat hij dakloos was. Dat moest als hij in aanmerking wilde komen voor een postadres, het begin van een nieuw leven.

Sander zocht een plekje uit, ging liggen, sloot zijn ogen en probeerde de stank te negeren. Nog vier weken, dacht hij.

Kost en inwoning

© Stefanie Gratz

Het was begonnen met een brief, negen maanden eerder. Sander zat met zijn vriendin op zijn bed toen zijn moeder de kamer binnenkwam en een opgevouwen A4’tje op tafel legde. Zonder iets te zeggen ging ze weer weg. In de brief, die zijn moeder samen met een hulpverlener had geschreven, stond een duidelijke boodschap: per 1 september moet je het huis uit.

Het was maart. Zijn moeder had hem een termijn van een half jaar gegeven.

Sander was 23 en weigerde al twee jaar kost en inwoning te betalen. Dat had een simpele reden: zolang de islamitische man, met wie zijn moeder voor de moskee was getrouwd en voor wie ze was bekeerd, niet mee zou betalen aan het huishouden, deed hij dat ook niet.

De man, met wie Sander nog nooit een gesprek van enige betekenis had gehad, stond niet ingeschreven op hun adres in Amsterdam-Noord, hij was illegaal. Dat zijn moeder opeens vijf keer per dag ging bidden, een hoofddoek ging dragen en geen varkensvlees meer at, vond hij geen probleem, dat moest ze zelf weten. Maar dat voor de man andere regels golden dan voor hem, accepteerde hij niet.

Sander had meerdere opleidingen verpest, flinke schulden opgebouwd en blowde dagelijks

© Stefanie Gratz

Sander moest betalen, vond zijn moeder. Zij werd op haar huurtoeslag gekort omdat er, sinds Sander 21 werd, een volwassene gratis in huis woonde. Het gevolg van die kostendelersnorm uit 2015. Doras, de organisatie die zijn moeder hielp met haar schulden, adviseerde haar Sander een keus te geven: betalen of vertrekken.

Op dat moment was zijn leven al vrij ingewikkeld. Met zijn vader, een Marokkaanse man, had hij al jaren geen contact. Sander had meerdere opleidingen verpest, flinke schulden opgebouwd en blowde dagelijks. Vaak kwam hij om drie of vier uur ‘s middags uit bed, moe van de hele nacht gamen en blowen.

Schulden

Niemand had hem ooit geleerd met geld om te gaan. Zijn ouders, die uit elkaar gingen toen Sander 17 was, hadden altijd schulden gehad en waren onder bewindvoering geplaatst. Het leefgeld dat ze per week kregen, moest worden overgemaakt naar een aparte rekening. Die hadden ze nooit geopend; ze gebruikten de rekening van Sander, toen nog een tiener.

Om de geldstromen uit elkaar te houden, moest hij van zijn ouders elke maand het salaris van zijn krantenwijk in één keer opnemen. Met 380 euro contant op zak liep hij aan het begin van elke maand rond. Dat ging binnen twee weken op aan wiet en andere dingen.

Niemand vertelde Sander dat hij vanaf zijn 18de een zorgverzekering moest afsluiten. Toen hij er eenmaal achterkwam dat dat een wettelijke plicht was, had hij al een betalingsachterstand van meer dan 1.000 euro. Zo werd een leven met schulden net zo gewoon voor Sander als voor zijn ouders.

Op 1 september, keurig volgens de afspraak, pakte hij zijn spullen in dozen en reed ze met een gehuurd busje naar een opslagruimte die hij voor een klein bedrag huurde. Hoewel hij een parttime-administratief baantje had, kon hij geen huurwoning betalen. De eerste maand sliep hij bij vrienden. Maar op een gegeven moment ging dat niet langer.

Hij vertelde niemand dat hij op straat ging slapen. Hij liep naar het Noorderpark in Amsterdam-Noord en vond er een bankje. Zijn tas gebruikte hij als kussen, zijn winterjas ritste hij dicht tot zijn kin. Hij was niet bang of zenuwachtig, wel ongelukkig. Nog nooit had hij zich zo alleen gevoeld.

De dag daarna sliep hij in het Vliegenbos. Ergens achteraf bij een vijvertje was een rustig plekje met een bankje. Na een paar uur werd hij wakker met een nat gezicht. Het regende. Hij stond op en ging lopen, om maar te bewegen. Schuilde onder een viaduct. En baalde.

Twee regels

© Stefanie Gratz

Als hij geld had, ging hij naar de kapper

Hij had twee regels. Zijn telefoon zou hij altijd op tijd opladen. En hij zou er verzorgd uitzien. Een tandenborstel en een bus deo had hij in zijn tas. Bij vrienden kon hij douchen. Als hij geld had, ging hij naar de kapper. Zo kon hij gewoon naar zijn werk. Zijn collega’s wisten van niets.

De vier weken in de winteropvang waren er zeven geworden. Begin februari had Sander via een uitzendbureau een baantje gekregen bij de klantenservice van De Persgroep. Zijn andere baantje was hij vanwege een reorganisatie kwijtgeraakt. Een bijkomend probleem was dat zijn paspoort verlopen was en hij geen contract kon tekenen. En dus ook geen loon kon ontvangen.

De dag nadat hij via DWI zijn postadres had gekregen, een postvakje eigenlijk, ging Sander naar de Stopera op het Waterlooplein om zich op dat adres in te schrijven bij de gemeente. De baliemedewerker hoorde zijn verhaal aan en zei: ‘Over zes weken is er voor het eerst plek voor een afspraak om je in te schrijven.’

Zes weken? Kon het niet eerder?

Paspoort

Sander nam iemand van het uitzendbureau in vertrouwen

© Stefanie Gratz

Hij mocht dagelijks bellen in de hoop dat er een andere afspraak afgezegd zou worden, zei de man. Op de derde dag had Sander beet. Zijn afspraak werd twee weken vervroegd. Daar moest hij het mee doen.

Half maart vond hij via Streetcornerwork, een organisatie die dakloze jongeren helpt, een tijdelijke woonplek in een opvanghuis in het Westerpark. Toen de inschrijving bij de gemeente eind maart eindelijk rond was, stond hij weer bij de balie van de Stopera. Of hij een nieuw paspoort kon aanvragen. Nee, zo makkelijk ging het niet. Het duurde twee of drie werkdagen voordat de inschrijving verwerkt zou zijn in het systeem.

Ondertussen zat het uitzendbureau hem achter de vodden: hij kon niet blijven werken als hij geen geldig identiteitsbewijs liet zien en geen contract kon tekenen. Sander nam iemand van het uitzendbureau in vertrouwen: hij vertelde, voor het eerst, dat hij maanden op straat had geleefd. De man had begrip voor zijn verhaal en maakte een uitzondering voor hem.

Twee dagen later vroeg hij met spoed een paspoort aan, wat hem 90 euro kostte, een rib uit zijn lijf. Toen hij die dinsdag met zijn nieuwe paspoort het stadhuis uitliep, wist hij dat zijn ergste problemen voorbij waren. Het zou niet makkelijk worden, maar hij had weer een toekomst.

Lees verder

Erdan is 5 jaar en al een jaar dakloos
Al meer dan een jaar leven Erdan en zijn moeder in een opvang voor onbehuisden. In Nederland zijn duizenden kinderen zoals hij. Als het aan de Tweede Kamer ligt, krijgen zij voortaan betere hulp. (+)

Dit Spaanse restaurant heeft waardigheid op het menu
‘Zij die niets hebben’ krijgen in Madrid hulp van vader Ángel. De priester heeft een restaurant waar armen gratis kunnen eten en zijn kerk is 24/7 open voor daklozen. ‘Het belangrijkste is waardigheid.’ (+)

 

 

Wethouder Peeters akkoord met motie jeugdzorg

ALMERE – Het college van Burgemeester en Wethouders heeft vanmiddag per raadsbrief laten weten dat de tijdelijke aanpassing van de toegang tot jeugd-ggz en residentiële jeugdhulp per direct opgeheven wordt.

Tijdens het nachtelijke debat van donderdag 13 oktober moest wethouder Peeters tandenknarsend aanhoren dat de raad wil dat alle zorg voor Almeerse jeugd doorgaat. Zijn voorstel was om zorg aan de ‘lichtere gevallen’ op te schorten tot 1 januari 2017 omdat het budget op is. (Foto: Almere DEZE WEEK)

Hiermee geeft het college aan de motie uit te voeren die de gemeenteraad tijdens het nachtelijke debat van 13 op 14 oktober over de jeugdzorg in Almere heeft aangenomen. In de motie, opgesteld door de PvdA en aangenomen met 19 stemmen voor en 17 tegen, verzoekt de raad wethouder René Peeters om de instroomstop op lichte vormen van jeugdhulp tot 1 januari 2017 op te heffen. De wethouder had deze maatregel per brief (7 oktober) aan de Almeerse jeugdzorginstellingen opgelegd omdat het potje met beschikbaar geld voor dit jaar op is. ‘De reguliere afspraken zijn weer van kracht, Hierover informeren wij aanbieders én verwijzers. Daarbij blijven wij vanzelfsprekend actief met hen in gesprek over de uitvoering van afspraken en over de noodzaak en de mogelijkheden om te transformeren naar een toekomstbestendig stelsel voor jeugdhulp’, zo staat in de brief te lezen.

Kanttekening

Het college plaatst wel een kanttekening bij de uitvoering van de motie. ‘Het opheffen van de tijdelijke aanpassing heeft direct effect op het jeugdhulpbudget van Almere in 2016 en de jaren daarna.’

Wanneer het college met de raad in gesprek gaat over het budget voor de jeugdzorg en hoe overschrijdingen op de uitgaven voor de verschillende vormen van jeugdhulp voorkomen kunnen worden, wordt ‘op korte termijn’ met de raad besproken.

Eind oktober krijgt de raad een raadsvoorstel dat inzicht moet geven in het financiële effect van de motie voor 2016 en de volgende jaren. ‘Het uitgangspunt daarbij is dat die dekking komt uit het jeugdhulpbudget voor de komende jaren’, zo schrijft het college. Dat is tevens de wens van de gemeenteraad.

In de residentiële jeugdhulp verblijven kinderen en jongeren, op vrijwillige of gedwongen basis, dag en nacht buiten hun eigen omgeving.

Artikel geplaatst op: 19 oktober 2016 – 14:25

 

http://www.almeredezeweek.nl/nieuws/1369583-wethouder-peeters-akkoord-met-motie-jeugdzorg

Aan de zorgplicht in Almere is wel/niet voldaan

Zes vragen

Wegens toegenomen vraag en beperkt budget schortte Almere jeugdzorg deels op. Mag dit wel en zag Almere dit niet aankomen?

  • Ingmar Vriesema

11 oktober 2016

Wachten tot 2017. Dat is het devies voor kinderen in Almere die in aanmerking komen voor behandeling door een psychiater of psycholoog of verblijf in een jeugdzorginstelling. De gemeente schortte die delen van de jeugdzorg op, omdat de vraag onverwacht sterk is toegenomen. Doen we niets, dan zitten we met forse tekorten, aldus de gemeente. Volgens staatssecretaris van Rijn (Zorg, PvdA) mág Almere deze maatregel helemaal niet nemen: de gemeenten moet gewoon zorgen dat het deze kinderen helpt.

  1. Krijgen Almeerse kinderen nu helemaal geen hulp meer?

Voor kinderen in pleeggezinnen en gesloten inrichtingen verandert niets, ook lichte opvoedondersteuning aan huis gaat door. De gemeente grijpt in op de jeugd-ggz en jeugzorg-met-verblijf, vanwege de sterk gestegen vraag hiernaar. Voor kinderen die die zorg al krijgen, verandert niets. De maatregel geldt voor nieuwe aanmeldingen: kinderen die tussen nu en eind dit jaar hadden willen beginnen aan hun behandeling. Alleen in geval van crisis of „directe noodzaak” kunnen zij rekenen op hulp. Zo niet, dan moeten zij wachten tot in 2017. Precieze prognoses ontbreken, maar dit treft vermoedelijk enkele honderden kinderen.

  1. Almere zegt dat de vraag onverwacht hoger is dan het aanbod. Had de gemeente dit niet kunnen zien aankomen?

Nee, zegt wethouder René Peeters (zorg, D66). Hij is „verrast” door de fors gestegen vraag, die zich pas in de loop van 2016 begon voor te doen. Het lastige voor gemeenten is dat de vraag naar jeugdzorg deels buiten hun macht ligt. Gemeenten zijn weliswaar verantwoordelijk voor de jeugdzorg, maar huisartsen mogen kinderen naar een jeugdpsychiater doorverwijzen zonder dat de gemeente daar weet van heeft. Kennelijk is dat in Almere dit jaar vaak gebeurd. Gemeenten zijn kwetsbaar voor deze fluctuaties wegens krapte van hun budget voor jeugdzorg. Het Rijk liet de overheveling van de jeugdzorg per 2015 gepaard gaan met een forse bezuiniging. Zo kreeg Almere vorig jaar een korting van 12,5 procent bij stijgende vraag.

  1. Als geldgebrek een bekend euvel is, waarom voert dan alleen Almere deze behandelstop door?

Deze behandelstop is inderdaad een primeur, maar dat wil niet zeggen dat geldgebrek in andere gemeenten geen probleem is. Sinds 2015 gebeurt het geregeld dat instellingen geen budget meer hebben. Neem vorige maand: de Zuid-Hollandse jeugdzorgorganisatie Yulius liet ouders van kinderen met autisme weten dat hun behandeling in 2016 niet meer zou starten. In zulke gevallen moet een kind hopen op een behandelplek elders. Ook dan moet een kind vaak lang wachten. Maar de maatregel van Almere is rigoureuzer. De behandelstop geldt voor élke instelling waar de gemeente jeugdzorg inkocht.

  1. Mag Almere de maatregel wel nemen?

Nee, zegt staatssecretaris Van Rijn (Zorg, PvdA). Nee, zeggen ook kinderpsychiaters en -psychologen. Allen verwijzen naar de in de Jeugdwet vastgelegde zorgplicht. Gemeenten moeten ervoor zorgen dat een kind passende jeugdzorg krijgt, en dat die zorg ook echt beschikbaar is. Almere laat nu weten dat de hulp voor sommige kinderen pas in 2017 beschikbaar is. Mag niet, zegt de staatssecretaris. Mag wel, ketst wethouder Peeters terug. „Wij voldoen aan de zorgplicht.” Zijn redenering: kinderen die de zorg écht nodig hebben, krijgen die. En voor andere kinderen is de zorg ook beschikbaar – zij het pas in 2017. Wachtlijsten in de jeugdzorg komen helaas nu eenmaal voor, aldus de wethouder, en heus niet alleen in Almere.

  1. Wie heeft gelijk, de wethouder of de de staatssecretaris?

Dat is moeilijk te zeggen. De hamvraag is deze: voldoet een gemeente aan haar zorgplicht als zij die willens en wetens voor een bepaalde groep kinderen met minstens twaalf weken uitstelt? Feit is: er zijn normen voor wachttijden die als vuistregels gelden in de zorg. De zogenoemde Treeknormen. Zo mogen er maximaal zes weken verstrijken tussen het intakegesprek van het kind en de start van de behandeling. Almere roept instellingen dus op die norm voor bepaalde kinderen naast zich neer te leggen. Dat maakt de maatregel omstreden. Feit is echter, dat die Treeknormen geen deel uitmaken van de Jeugdwet, en dus ook niet van de zorgplicht. Een motie, afgelopen juni ingediend door CDA, PvdA, D66 en PVV, riep Van Rijn op om dat wél te doen. Van Rijn leek echter niet van plan de wet te wijzigen: hij liet louter weten het „hanteren van Treeknormen verder te bevorderen”. Almere overtreedt hier dus een vuistregel, niet de wet.

  1. Dus Almere heeft gelijk?

De vraag blijft of het bewust opschorten van jeugdzorg te rijmen valt met de wettelijke plicht om die zorg beschikbaar te stellen. Van Rijn vindt van niet, en vele Kamerleden met hem. Maar Den Haag is in de gedecentraliseerde jeugdzorg niet primair aan zet. Dat is nu de gemeenteraad van Almere. Die zal met de wethouder over diens zorgplicht debatteren. En als men er politiek niet uitkomt, is nog altijd die andere macht beschikbaar voor bindend advies: de rechter.

https://www.nrc.nl/nieuws/2016/10/11/aan-de-zorgplicht-is-welniet-voldaan-4778331-a1526082

2016 09 02 Jordy Brouillard (19) overleed alleen in een tentje

jordy brouillard

België is geschokt door de dood van de 19-jarige Jordy Brouillard. Het lichaam van de jongen werd dit weekend gevonden in een tentje in een natuurgebied. Hij was door ondervoeding om het leven gekomen.

Jordy woonde het grootste deel van zijn leven in een instelling en mocht daar op zijn 18de vrijwillig vertrekken. Omdat hij nooit voor de jeugdrechter had gestaan, geen grote verslaving had of psychische problemen (hij was enkel licht autistisch) keek er niemand mee hoe het met hem ging nadat hij de instelling had verlaten.

Hulpverleners verloren hem uit het oog, terwijl hij er nog niet klaar voor was om op zichzelf te wonen, stellen andere hulpverleners. Zij zeggen in de Belgische krant Het Nieuwsblad dat zijn dood te vermijden was.

Een voorbijganger zag dit weekend in het Belgische natuurgebied Blaarmeersen een tentje staan in de struiken. Daarin vond hij het lichaam van Jordy, dat er al twee dagen lag. Er was dit weekend een hittegolf in België en de jongen had geen geld meer voor eten en drinken.

Nadat hij op zijn 18de uit de instelling waarin hij opgroeide was vertrokken, woonde Jordy korte tijd bij zijn ouders. Het werd geen succes, waardoor hij ook daar moest vertrekken. Hij zwierf een tijdje rond en weigerde hulp van een Gentse crisisinstelling.

In de weken voor zijn dood vroeg Jordy nog wel om steun via Twitter en Facebook: “Ik hoop dat ik snel door deze slechte periode kom. Hopelijk word ik terug de oude. Alle steun is welkom.” Hij verontschuldigde zich nog omdat hij al een tijdje geen contact meer had gehad met vrienden en hulpverleners.

Jordy’s dood was vermijdbaar, is een absolute schande en een collectief falen.

Oud-begeleider van Jordy

Jordy rookte af en toe een jointje en snoof wel eens aanstekergas, maar viel verder niet op door grote misdrijven, een verslaving of andere problemen. Daardoor viel hij tussen wal en schip en lette niemand meer op hem.

Zijn oud-begeleider rekent dit de jeugdzorg in België zwaar aan. “Jordy’s dood was vermijdbaar, is een absolute schande en een collectief falen”, zegt hij in Het Nieuwsblad. “Vrijwel niemand bekommerde zich om Jordy. Gevolg: hij werd niet echt geholpen en kwam zonder enige financiële steun op straat terecht.”

Ook zijn moeder geeft in de krant toe dat zij hem in 2016 niet één keer zag.

Individueel geval

De dood van Jordy raakt een gevoelige snaar in België. Op Twitter wordt met verontwaardiging gereageerd op zijn overlijden en er is een Facebookpagina geopend waarop hij wordt herdacht. Ook de Vlaamse krant De Morgen wijdde er een commentaar aan.

Toch is de dood van Jordy volgens NOS-correspondent Joris van Poppel voorlopig geen reden om het hele Belgische jeugdhulpverleningssysteem om te gooien. “Hoe tragisch het ook is, het verhaal van Jordy is nog steeds een individueel geval”, zegt hij.

“Er zijn geen cijfers over hoeveel jongeren dit overkomt en het is niet duidelijk of er een instelling grof de fout in is gegaan.”

 

http://nos.nl/op3/artikel/2129596-jordy-19-paste-niet-in-een-hokje-en-stierf-alleen.html