Drie maanden woonde Octavia in een tentje zonder dat iemand erachter kwam

Dit zijn de dakloze jongeren van Amsterdam

Octavia hing in het Amsterdamse Vondelpark rond, Sander meldde zich in de Havenstraat: twee leden van het groeiende leger jonge daklozen vertellen hoe het kwam.

Door: Haro Kraak 24 juli 2017, 19:30

 

Op straat zul je ze niet zo snel als zodanig herkennen, maar dakloze jongeren vormen een groeiende groep, vooral in de grote steden. Van de 31 duizend daklozen in Nederland waren er in 2016 ruim 12 duizend jonger dan 30 jaar, volgens cijfers van het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Een jaar eerder waren dat er nog 8 duizend.

De stijging is opmerkelijk, zeker omdat het totale aantal daklozen ongeveer gelijk bleef. Het gebrek aan goedkope woningen in de grote steden en het strengere huisuitzettingsbeleid van corporaties zijn, volgens het CBS, de belangrijkste oorzaken van de groeiende groep dakloze jongeren.

En er speelt nog iets: als een ouder met een bijstandsuitkering een volwassen kind in huis heeft, wordt de uitkering gekort. Die ‘kostendelersnorm’ werd in 2015 ingevoerd. Daardoor zien sommige ouders zich genoodzaakt hun kind de deur te wijzen. Ook bezuinigingen in de psychiatrische zorg leiden ertoe dat jonge probleemgevallen vaker op straat belanden.

Bedelen bij de supermarkt doen dakloze jongeren zelden en hun gezicht is nog niet getekend door jarenlang ongezond leven

In de media gaat het vaak over verwende millennials die van festival naar festival hoppen en de terrasjes in de binnensteden bevolken, in werkelijkheid is het stadsleven voor veel jongeren veel te duur. De stad trekt, maar ze verdwijnen er in de rafelranden: op straat of in de opvang.

Bedelen bij de supermarkt doen dakloze jongeren zelden en hun gezicht is nog niet getekend door jarenlang ongezond leven. Bovendien zorgen ze er meestal voor dat hun kleren niet stinken en dat hun haar goed zit. Wie zijn die jongeren? De Volkskrant laat twee van hen aan het woord.

Octavia

Octavia in het Vondelpark. © Stefanie Gratz

‘Is dit het leven dat je wilt leiden?’

Octavia woonde al een paar weken in het Vondelpark toen ze haar vader tegenkwam. Het was een zonnige dag. Ze stond met een groepje vrienden te praten en zag dat iemand naar hen stond te kijken. Ze schrok toen ze besefte wie de man op de fiets was. De laatste keer dat ze haar vader had gezien of gesproken, was toen ze thuis op haar 20ste haar spullen had gepakt en zei dat ze naar haar werk ging. Dat was een maand geleden.

‘Is dit het leven dat je wilt leiden?’, vroeg hij die middag in het park.

Dat moest híj zeggen, dacht ze: haar vader verdiende al jaren zijn geld als dealer in Amsterdam. ‘Ja’, zei ze, ‘dit is wat ik wil.’ Haar hart ging tekeer. Ze dacht dat hij het er niet bij zou laten zitten, maar zonder verder iets te zeggen stapte hij op zijn fiets en vertrok.

Het had allemaal niet zo hoeven lopen. Als haar vader, een Surinaamse man van 63, Octavia niet zo streng en ouderwets had opgevoed, was ze nooit weggelopen, was ze nooit begonnen met liegen. Maar ze mocht niets, helemaal niets. Het was alsof ze geen adem kon halen thuis.

Juist omdat haar vader als dealer de gevaren van het uitgaansleven goed kende, hield hij haar kort. Ze mocht niet naar feestjes, ze mocht geen vriendinnen mee naar huis nemen. Het enige waarvoor ze deur uit mocht, was haar werk als serveerster. Dat was dus de ideale smoes: ik moet werken, het loopt uit, ik ben later.

Vondelparkgroep

Streetcornerwork

De interviews met Sander en Octavia kwamen tot stand dankzij bemiddeling van Streetcornerwork, een non-profitorganisatie die dakloze, verslaafde en kwetsbare jongeren helpt. Veldwerkers leren de jongeren kennen op straat. Vervolgens brengen ze de jongeren in contact met de juiste instanties om hun problemen aan te pakken, bijvoorbeeld schuldsanering. Streetcornerwork is gevestigd in Amsterdam, Haarlem, Heemstede, Heemskerk, Velsen en Woerden.

© Stefanie Gratz

En dan ging ze naar het park. Met een groep jongeren, van 13 tot 30, hing ze rond, lag ze op het gras en gebruikte ze drugs. Pillen in het begin. Bijna elke dag. Als het lekker weer was, nam ze xtc en tripte ze in de zon. Hun favoriete plek was bij de brug, waar tramlijn 3 overheen rijdt en waaronder de zwervers hangen.

Aardige mannen, vond ze. De oudere daklozen zorgden voor de jongeren, letten op dat ze niet te veel drugs gebruikten en dat ze niet werden lastiggevallen.

Op mooie dagen waren ze soms wel met 150 mensen, een man of dertig woonde in het park, de rest sloot zich aan als ze zin hadden. Het was een gevarieerde groep: van gymnasiast tot schooluitvaller, in alle kleuren. Bij instanties – de politie, de ggd en hulporganisaties – stonden ze bekend als de Vondelparkgroep. Octavia voelde zich vrij als ze bij hen was. De buitenbeentjes kwamen bij elkaar; samen waren ze geen buitenbeentjes meer. Bij gebrek aan een echte familie werd de Vondelparkgroep haar nieuwe familie. Toen ze eenmaal van de vrijheid had geproefd, wilde ze meer. Ze wilde niet meer liegen tegen haar vader.

Ranzig

Een stabiele thuissituatie heeft de inmiddels 23-jarige Octavia nooit gehad. Haar vader heeft vijf kinderen bij drie vrouwen. Haar moeder heeft zeven kinderen. Ze zat de hele jeugd van Octavia in de gevangenis. Op haar 19de ontmoette Octavia haar moeder voor het eerst.

De eerste vier jaar van haar leven woonde ze bij haar oom en tante. Daarna tot haar 8ste bij haar vader. Vervolgens moest Octavia voor twee jaar naar een tehuis. Vanaf haar 10de woonde ze weer bij haar vader. Totdat ze op haar 20ste het huis verliet en een koepeltentje opzette in de bosjes van het park.

Drie maanden woonde ze met twee anderen in dat tentje zonder dat iemand erachter kwam. Ja, het werd wel ranzig na een tijdje. Maar ze sliep meestal toch niet daar. De nacht haalde ze door met de anderen, strak van de speed en de pillen. Overdag sliep ze in het gras.

Ze gebruikte alles door elkaar: coke, speed, 2cb, lsd, truffels

Ze werkte toen allang niet meer. Geld leende ze van vrienden. Of ze máákte geld. Een fiets die ergens niet op slot stond, nam ze mee en verkocht ze voor een tientje aan andere daklozen. Eén keer per week kwam een fietsenhandelaar langs die de fietsen van hen weer overnam. Soms jatte ze wat te eten bij de Albert Heijn. Door het drugsgebruik boeide het haar allemaal niet meer of ze werd gepakt of ze de bak in zou gaan – dan zou ze in elk geval een bed en een boterham krijgen toch? Ze heeft er geen spijt van, eindelijk kon ze doen wat ze wilde.

Het is eigenlijk een wonder dat het zo lang goed ging. Ze gebruikte alles door elkaar: coke, speed, 2cb, lsd, truffels. Dat deed iedereen. Niemand kreeg een overdosis. Ze werd niet lastiggevallen. Ja, er was af en toe een vechtpartijtje, maar dat lokte de groep vaak zelf uit. Wie aan één van hen zat, zat aan hen allemaal. Toch blijft het niet lang leuk, elke dag drugs gebruiken. In een paar maanden was ze 35 kilo afgevallen, van een fors meisje van 95 kilo was ze een dunne spriet geworden.

Winteropvang

En het werd kouder. De winteropvang was een stuk minder leuk dan het park. Na tien maanden leven in het park, ging ze op gesprek bij de ggd. Na een screening werd besloten dat ze moest afkicken, een detox van twee weken.

In de kliniek besefte ze pas goed waar ze mee bezig was. Octavia was de jongste van een groep verslaafden. Een man van 30 was al vijftien jaar cokeverslaafd en had de vreselijkste dingen meegemaakt. Als ik nu niet stop, dacht ze, word ik net zo.

Nu woont ze met een ander meisje in een appartement in Geuzenveld, in een begeleid woontraject. Ze werkt in de keuken van een hotel, met fijne collega’s. Geen van de mensen uit de Vondelparkgroep woont nog in het park, maar ze zien elkaar nog wel. Gewoon, in een huis.

Sander

Het Amsterdamse W. H. Vliegenbos waar Sander verbleef, nadat hij door zijn moeder de deur was uitgezet. (De man op de foto is niet Sander Roos, hij wilde liever niet op de foto) © Stefanie Gratz

De eerste keer dat Sander de winteropvang binnenkwam, besefte hij dat dit het dieptepunt was van zijn leven. Het was begin januari en steenkoud. Hij vergeet nooit de geur op zaal: een mengeling van tweedehandskleren, oude koffie, peuken en zweet, vooral zweet.

In het voormalige huis van bewaring op de Havenstraat in Amsterdam zag Sander de andere toekomstlozen: mensen die verslaafd of psychotisch zijn, al jaren op straat leven, stinkende zwervers en trillende junkies. En daar zat hij tussen, een jongen van 24, zonder opleiding, geen plan voor de toekomst.

Dit is niet mijn leven, besloot hij. Zo kan het niet langer.

Liever had Sander nog steeds buiten geslapen, zoals hij al ruim drie maanden deed, maar hij wist dat hij vier weken in de winteropvang moest overnachten als hij iets aan zijn situatie wilde veranderen. Alleen zo kon hij bewijzen aan de Dienst Werk en Inkomen (DWI) dat hij dakloos was. Dat moest als hij in aanmerking wilde komen voor een postadres, het begin van een nieuw leven.

Sander zocht een plekje uit, ging liggen, sloot zijn ogen en probeerde de stank te negeren. Nog vier weken, dacht hij.

Kost en inwoning

© Stefanie Gratz

Het was begonnen met een brief, negen maanden eerder. Sander zat met zijn vriendin op zijn bed toen zijn moeder de kamer binnenkwam en een opgevouwen A4’tje op tafel legde. Zonder iets te zeggen ging ze weer weg. In de brief, die zijn moeder samen met een hulpverlener had geschreven, stond een duidelijke boodschap: per 1 september moet je het huis uit.

Het was maart. Zijn moeder had hem een termijn van een half jaar gegeven.

Sander was 23 en weigerde al twee jaar kost en inwoning te betalen. Dat had een simpele reden: zolang de islamitische man, met wie zijn moeder voor de moskee was getrouwd en voor wie ze was bekeerd, niet mee zou betalen aan het huishouden, deed hij dat ook niet.

De man, met wie Sander nog nooit een gesprek van enige betekenis had gehad, stond niet ingeschreven op hun adres in Amsterdam-Noord, hij was illegaal. Dat zijn moeder opeens vijf keer per dag ging bidden, een hoofddoek ging dragen en geen varkensvlees meer at, vond hij geen probleem, dat moest ze zelf weten. Maar dat voor de man andere regels golden dan voor hem, accepteerde hij niet.

Sander had meerdere opleidingen verpest, flinke schulden opgebouwd en blowde dagelijks

© Stefanie Gratz

Sander moest betalen, vond zijn moeder. Zij werd op haar huurtoeslag gekort omdat er, sinds Sander 21 werd, een volwassene gratis in huis woonde. Het gevolg van die kostendelersnorm uit 2015. Doras, de organisatie die zijn moeder hielp met haar schulden, adviseerde haar Sander een keus te geven: betalen of vertrekken.

Op dat moment was zijn leven al vrij ingewikkeld. Met zijn vader, een Marokkaanse man, had hij al jaren geen contact. Sander had meerdere opleidingen verpest, flinke schulden opgebouwd en blowde dagelijks. Vaak kwam hij om drie of vier uur ’s middags uit bed, moe van de hele nacht gamen en blowen.

Schulden

Niemand had hem ooit geleerd met geld om te gaan. Zijn ouders, die uit elkaar gingen toen Sander 17 was, hadden altijd schulden gehad en waren onder bewindvoering geplaatst. Het leefgeld dat ze per week kregen, moest worden overgemaakt naar een aparte rekening. Die hadden ze nooit geopend; ze gebruikten de rekening van Sander, toen nog een tiener.

Om de geldstromen uit elkaar te houden, moest hij van zijn ouders elke maand het salaris van zijn krantenwijk in één keer opnemen. Met 380 euro contant op zak liep hij aan het begin van elke maand rond. Dat ging binnen twee weken op aan wiet en andere dingen.

Niemand vertelde Sander dat hij vanaf zijn 18de een zorgverzekering moest afsluiten. Toen hij er eenmaal achterkwam dat dat een wettelijke plicht was, had hij al een betalingsachterstand van meer dan 1.000 euro. Zo werd een leven met schulden net zo gewoon voor Sander als voor zijn ouders.

Op 1 september, keurig volgens de afspraak, pakte hij zijn spullen in dozen en reed ze met een gehuurd busje naar een opslagruimte die hij voor een klein bedrag huurde. Hoewel hij een parttime-administratief baantje had, kon hij geen huurwoning betalen. De eerste maand sliep hij bij vrienden. Maar op een gegeven moment ging dat niet langer.

Hij vertelde niemand dat hij op straat ging slapen. Hij liep naar het Noorderpark in Amsterdam-Noord en vond er een bankje. Zijn tas gebruikte hij als kussen, zijn winterjas ritste hij dicht tot zijn kin. Hij was niet bang of zenuwachtig, wel ongelukkig. Nog nooit had hij zich zo alleen gevoeld.

De dag daarna sliep hij in het Vliegenbos. Ergens achteraf bij een vijvertje was een rustig plekje met een bankje. Na een paar uur werd hij wakker met een nat gezicht. Het regende. Hij stond op en ging lopen, om maar te bewegen. Schuilde onder een viaduct. En baalde.

Twee regels

© Stefanie Gratz

Als hij geld had, ging hij naar de kapper

Hij had twee regels. Zijn telefoon zou hij altijd op tijd opladen. En hij zou er verzorgd uitzien. Een tandenborstel en een bus deo had hij in zijn tas. Bij vrienden kon hij douchen. Als hij geld had, ging hij naar de kapper. Zo kon hij gewoon naar zijn werk. Zijn collega’s wisten van niets.

De vier weken in de winteropvang waren er zeven geworden. Begin februari had Sander via een uitzendbureau een baantje gekregen bij de klantenservice van De Persgroep. Zijn andere baantje was hij vanwege een reorganisatie kwijtgeraakt. Een bijkomend probleem was dat zijn paspoort verlopen was en hij geen contract kon tekenen. En dus ook geen loon kon ontvangen.

De dag nadat hij via DWI zijn postadres had gekregen, een postvakje eigenlijk, ging Sander naar de Stopera op het Waterlooplein om zich op dat adres in te schrijven bij de gemeente. De baliemedewerker hoorde zijn verhaal aan en zei: ‘Over zes weken is er voor het eerst plek voor een afspraak om je in te schrijven.’

Zes weken? Kon het niet eerder?

Paspoort

Sander nam iemand van het uitzendbureau in vertrouwen

© Stefanie Gratz

Hij mocht dagelijks bellen in de hoop dat er een andere afspraak afgezegd zou worden, zei de man. Op de derde dag had Sander beet. Zijn afspraak werd twee weken vervroegd. Daar moest hij het mee doen.

Half maart vond hij via Streetcornerwork, een organisatie die dakloze jongeren helpt, een tijdelijke woonplek in een opvanghuis in het Westerpark. Toen de inschrijving bij de gemeente eind maart eindelijk rond was, stond hij weer bij de balie van de Stopera. Of hij een nieuw paspoort kon aanvragen. Nee, zo makkelijk ging het niet. Het duurde twee of drie werkdagen voordat de inschrijving verwerkt zou zijn in het systeem.

Ondertussen zat het uitzendbureau hem achter de vodden: hij kon niet blijven werken als hij geen geldig identiteitsbewijs liet zien en geen contract kon tekenen. Sander nam iemand van het uitzendbureau in vertrouwen: hij vertelde, voor het eerst, dat hij maanden op straat had geleefd. De man had begrip voor zijn verhaal en maakte een uitzondering voor hem.

Twee dagen later vroeg hij met spoed een paspoort aan, wat hem 90 euro kostte, een rib uit zijn lijf. Toen hij die dinsdag met zijn nieuwe paspoort het stadhuis uitliep, wist hij dat zijn ergste problemen voorbij waren. Het zou niet makkelijk worden, maar hij had weer een toekomst.

Lees verder

Erdan is 5 jaar en al een jaar dakloos
Al meer dan een jaar leven Erdan en zijn moeder in een opvang voor onbehuisden. In Nederland zijn duizenden kinderen zoals hij. Als het aan de Tweede Kamer ligt, krijgen zij voortaan betere hulp. (+)

Dit Spaanse restaurant heeft waardigheid op het menu
‘Zij die niets hebben’ krijgen in Madrid hulp van vader Ángel. De priester heeft een restaurant waar armen gratis kunnen eten en zijn kerk is 24/7 open voor daklozen. ‘Het belangrijkste is waardigheid.’ (+)

 

 

Wethouder Peeters akkoord met motie jeugdzorg

ALMERE – Het college van Burgemeester en Wethouders heeft vanmiddag per raadsbrief laten weten dat de tijdelijke aanpassing van de toegang tot jeugd-ggz en residentiële jeugdhulp per direct opgeheven wordt.

Tijdens het nachtelijke debat van donderdag 13 oktober moest wethouder Peeters tandenknarsend aanhoren dat de raad wil dat alle zorg voor Almeerse jeugd doorgaat. Zijn voorstel was om zorg aan de ‘lichtere gevallen’ op te schorten tot 1 januari 2017 omdat het budget op is. (Foto: Almere DEZE WEEK)

Hiermee geeft het college aan de motie uit te voeren die de gemeenteraad tijdens het nachtelijke debat van 13 op 14 oktober over de jeugdzorg in Almere heeft aangenomen. In de motie, opgesteld door de PvdA en aangenomen met 19 stemmen voor en 17 tegen, verzoekt de raad wethouder René Peeters om de instroomstop op lichte vormen van jeugdhulp tot 1 januari 2017 op te heffen. De wethouder had deze maatregel per brief (7 oktober) aan de Almeerse jeugdzorginstellingen opgelegd omdat het potje met beschikbaar geld voor dit jaar op is. ‘De reguliere afspraken zijn weer van kracht, Hierover informeren wij aanbieders én verwijzers. Daarbij blijven wij vanzelfsprekend actief met hen in gesprek over de uitvoering van afspraken en over de noodzaak en de mogelijkheden om te transformeren naar een toekomstbestendig stelsel voor jeugdhulp’, zo staat in de brief te lezen.

Kanttekening

Het college plaatst wel een kanttekening bij de uitvoering van de motie. ‘Het opheffen van de tijdelijke aanpassing heeft direct effect op het jeugdhulpbudget van Almere in 2016 en de jaren daarna.’

Wanneer het college met de raad in gesprek gaat over het budget voor de jeugdzorg en hoe overschrijdingen op de uitgaven voor de verschillende vormen van jeugdhulp voorkomen kunnen worden, wordt ‘op korte termijn’ met de raad besproken.

Eind oktober krijgt de raad een raadsvoorstel dat inzicht moet geven in het financiële effect van de motie voor 2016 en de volgende jaren. ‘Het uitgangspunt daarbij is dat die dekking komt uit het jeugdhulpbudget voor de komende jaren’, zo schrijft het college. Dat is tevens de wens van de gemeenteraad.

In de residentiële jeugdhulp verblijven kinderen en jongeren, op vrijwillige of gedwongen basis, dag en nacht buiten hun eigen omgeving.

Artikel geplaatst op: 19 oktober 2016 – 14:25

 

http://www.almeredezeweek.nl/nieuws/1369583-wethouder-peeters-akkoord-met-motie-jeugdzorg

Aan de zorgplicht in Almere is wel/niet voldaan

Zes vragen

Wegens toegenomen vraag en beperkt budget schortte Almere jeugdzorg deels op. Mag dit wel en zag Almere dit niet aankomen?

  • Ingmar Vriesema

11 oktober 2016

Wachten tot 2017. Dat is het devies voor kinderen in Almere die in aanmerking komen voor behandeling door een psychiater of psycholoog of verblijf in een jeugdzorginstelling. De gemeente schortte die delen van de jeugdzorg op, omdat de vraag onverwacht sterk is toegenomen. Doen we niets, dan zitten we met forse tekorten, aldus de gemeente. Volgens staatssecretaris van Rijn (Zorg, PvdA) mág Almere deze maatregel helemaal niet nemen: de gemeenten moet gewoon zorgen dat het deze kinderen helpt.

  1. Krijgen Almeerse kinderen nu helemaal geen hulp meer?

Voor kinderen in pleeggezinnen en gesloten inrichtingen verandert niets, ook lichte opvoedondersteuning aan huis gaat door. De gemeente grijpt in op de jeugd-ggz en jeugzorg-met-verblijf, vanwege de sterk gestegen vraag hiernaar. Voor kinderen die die zorg al krijgen, verandert niets. De maatregel geldt voor nieuwe aanmeldingen: kinderen die tussen nu en eind dit jaar hadden willen beginnen aan hun behandeling. Alleen in geval van crisis of „directe noodzaak” kunnen zij rekenen op hulp. Zo niet, dan moeten zij wachten tot in 2017. Precieze prognoses ontbreken, maar dit treft vermoedelijk enkele honderden kinderen.

  1. Almere zegt dat de vraag onverwacht hoger is dan het aanbod. Had de gemeente dit niet kunnen zien aankomen?

Nee, zegt wethouder René Peeters (zorg, D66). Hij is „verrast” door de fors gestegen vraag, die zich pas in de loop van 2016 begon voor te doen. Het lastige voor gemeenten is dat de vraag naar jeugdzorg deels buiten hun macht ligt. Gemeenten zijn weliswaar verantwoordelijk voor de jeugdzorg, maar huisartsen mogen kinderen naar een jeugdpsychiater doorverwijzen zonder dat de gemeente daar weet van heeft. Kennelijk is dat in Almere dit jaar vaak gebeurd. Gemeenten zijn kwetsbaar voor deze fluctuaties wegens krapte van hun budget voor jeugdzorg. Het Rijk liet de overheveling van de jeugdzorg per 2015 gepaard gaan met een forse bezuiniging. Zo kreeg Almere vorig jaar een korting van 12,5 procent bij stijgende vraag.

  1. Als geldgebrek een bekend euvel is, waarom voert dan alleen Almere deze behandelstop door?

Deze behandelstop is inderdaad een primeur, maar dat wil niet zeggen dat geldgebrek in andere gemeenten geen probleem is. Sinds 2015 gebeurt het geregeld dat instellingen geen budget meer hebben. Neem vorige maand: de Zuid-Hollandse jeugdzorgorganisatie Yulius liet ouders van kinderen met autisme weten dat hun behandeling in 2016 niet meer zou starten. In zulke gevallen moet een kind hopen op een behandelplek elders. Ook dan moet een kind vaak lang wachten. Maar de maatregel van Almere is rigoureuzer. De behandelstop geldt voor élke instelling waar de gemeente jeugdzorg inkocht.

  1. Mag Almere de maatregel wel nemen?

Nee, zegt staatssecretaris Van Rijn (Zorg, PvdA). Nee, zeggen ook kinderpsychiaters en -psychologen. Allen verwijzen naar de in de Jeugdwet vastgelegde zorgplicht. Gemeenten moeten ervoor zorgen dat een kind passende jeugdzorg krijgt, en dat die zorg ook echt beschikbaar is. Almere laat nu weten dat de hulp voor sommige kinderen pas in 2017 beschikbaar is. Mag niet, zegt de staatssecretaris. Mag wel, ketst wethouder Peeters terug. „Wij voldoen aan de zorgplicht.” Zijn redenering: kinderen die de zorg écht nodig hebben, krijgen die. En voor andere kinderen is de zorg ook beschikbaar – zij het pas in 2017. Wachtlijsten in de jeugdzorg komen helaas nu eenmaal voor, aldus de wethouder, en heus niet alleen in Almere.

  1. Wie heeft gelijk, de wethouder of de de staatssecretaris?

Dat is moeilijk te zeggen. De hamvraag is deze: voldoet een gemeente aan haar zorgplicht als zij die willens en wetens voor een bepaalde groep kinderen met minstens twaalf weken uitstelt? Feit is: er zijn normen voor wachttijden die als vuistregels gelden in de zorg. De zogenoemde Treeknormen. Zo mogen er maximaal zes weken verstrijken tussen het intakegesprek van het kind en de start van de behandeling. Almere roept instellingen dus op die norm voor bepaalde kinderen naast zich neer te leggen. Dat maakt de maatregel omstreden. Feit is echter, dat die Treeknormen geen deel uitmaken van de Jeugdwet, en dus ook niet van de zorgplicht. Een motie, afgelopen juni ingediend door CDA, PvdA, D66 en PVV, riep Van Rijn op om dat wél te doen. Van Rijn leek echter niet van plan de wet te wijzigen: hij liet louter weten het „hanteren van Treeknormen verder te bevorderen”. Almere overtreedt hier dus een vuistregel, niet de wet.

  1. Dus Almere heeft gelijk?

De vraag blijft of het bewust opschorten van jeugdzorg te rijmen valt met de wettelijke plicht om die zorg beschikbaar te stellen. Van Rijn vindt van niet, en vele Kamerleden met hem. Maar Den Haag is in de gedecentraliseerde jeugdzorg niet primair aan zet. Dat is nu de gemeenteraad van Almere. Die zal met de wethouder over diens zorgplicht debatteren. En als men er politiek niet uitkomt, is nog altijd die andere macht beschikbaar voor bindend advies: de rechter.

https://www.nrc.nl/nieuws/2016/10/11/aan-de-zorgplicht-is-welniet-voldaan-4778331-a1526082

2016 09 02 Jordy Brouillard (19) overleed alleen in een tentje

jordy brouillard

België is geschokt door de dood van de 19-jarige Jordy Brouillard. Het lichaam van de jongen werd dit weekend gevonden in een tentje in een natuurgebied. Hij was door ondervoeding om het leven gekomen.

Jordy woonde het grootste deel van zijn leven in een instelling en mocht daar op zijn 18de vrijwillig vertrekken. Omdat hij nooit voor de jeugdrechter had gestaan, geen grote verslaving had of psychische problemen (hij was enkel licht autistisch) keek er niemand mee hoe het met hem ging nadat hij de instelling had verlaten.

Hulpverleners verloren hem uit het oog, terwijl hij er nog niet klaar voor was om op zichzelf te wonen, stellen andere hulpverleners. Zij zeggen in de Belgische krant Het Nieuwsblad dat zijn dood te vermijden was.

Een voorbijganger zag dit weekend in het Belgische natuurgebied Blaarmeersen een tentje staan in de struiken. Daarin vond hij het lichaam van Jordy, dat er al twee dagen lag. Er was dit weekend een hittegolf in België en de jongen had geen geld meer voor eten en drinken.

Nadat hij op zijn 18de uit de instelling waarin hij opgroeide was vertrokken, woonde Jordy korte tijd bij zijn ouders. Het werd geen succes, waardoor hij ook daar moest vertrekken. Hij zwierf een tijdje rond en weigerde hulp van een Gentse crisisinstelling.

In de weken voor zijn dood vroeg Jordy nog wel om steun via Twitter en Facebook: “Ik hoop dat ik snel door deze slechte periode kom. Hopelijk word ik terug de oude. Alle steun is welkom.” Hij verontschuldigde zich nog omdat hij al een tijdje geen contact meer had gehad met vrienden en hulpverleners.

Jordy’s dood was vermijdbaar, is een absolute schande en een collectief falen.

Oud-begeleider van Jordy

Jordy rookte af en toe een jointje en snoof wel eens aanstekergas, maar viel verder niet op door grote misdrijven, een verslaving of andere problemen. Daardoor viel hij tussen wal en schip en lette niemand meer op hem.

Zijn oud-begeleider rekent dit de jeugdzorg in België zwaar aan. “Jordy’s dood was vermijdbaar, is een absolute schande en een collectief falen”, zegt hij in Het Nieuwsblad. “Vrijwel niemand bekommerde zich om Jordy. Gevolg: hij werd niet echt geholpen en kwam zonder enige financiële steun op straat terecht.”

Ook zijn moeder geeft in de krant toe dat zij hem in 2016 niet één keer zag.

Individueel geval

De dood van Jordy raakt een gevoelige snaar in België. Op Twitter wordt met verontwaardiging gereageerd op zijn overlijden en er is een Facebookpagina geopend waarop hij wordt herdacht. Ook de Vlaamse krant De Morgen wijdde er een commentaar aan.

Toch is de dood van Jordy volgens NOS-correspondent Joris van Poppel voorlopig geen reden om het hele Belgische jeugdhulpverleningssysteem om te gooien. “Hoe tragisch het ook is, het verhaal van Jordy is nog steeds een individueel geval”, zegt hij.

“Er zijn geen cijfers over hoeveel jongeren dit overkomt en het is niet duidelijk of er een instelling grof de fout in is gegaan.”

 

http://nos.nl/op3/artikel/2129596-jordy-19-paste-niet-in-een-hokje-en-stierf-alleen.html

Steeds meer daklozen in Nederland

Steeds meer daklozen in Nederland

Nederland telt steeds meer daklozen. Ongeveer 31.000 mensen hadden vorig jaar geen vaste plek om te wonen.
Dat zijn 13.000 meer daklozen dan in 2009. Het aantal daklozen is dus in zes jaar tijd met 74 procent gestegen, meldt het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) donderdag.
De dienst heeft geen onderzoek gedaan naar de oorzaak, maar de toename lijkt verband te houden met de economische crisis.
Het aantal daklozen steeg het sterkst in 2009 en 2010, in de eerste jaren van de malaise. “Dat geeft aan dat een groep zich voor de crisis op het randje van armoede bevond”, zegt CBS-hoofddemograaf Jan Latten.
“Die mensen raakten hun baan kwijt en konden hun huur niet betalen. In goede tijden redden deze mensen het net, maar als het economisch zwaar weer is, zijn ze het eerst de dupe. En het zijn zware tijden geweest. Voor mensen die het anders wel hadden gered, kan de crisis net de spreekwoordelijke druppel zijn geweest.”

Verdubbeld

Vooral het aantal allochtone daklozen neemt toe. Dat is verdubbeld van bijna 6.500 naar 13.000. Onder allochtone Nederlanders is meer werkloosheid en meer armoede dan onder autochtonen.
“En als ze werk hebben, zijn het vaak de slechter betaalde banen. Bovendien hebben niet alle immigranten een sociaal netwerk om zich heen. Als ze dan werkloos raken, vangt niemand ze op. De crisis heeft niet-westerse allochtonen sterker geraakt dan autochtonen”, zegt Latten.

daklozen
Door: ANP

Gepubliceerd: 03 maart 2016 06:23 Laatste update: 03 maart 2016 09:12

http://www.nu.nl/binnenland/4224008/steeds-meer-daklozen-in-nederland.html

Gemeente wordt soepeler met afgeven briefadres

Almere 24 februari 2016

De gemeente Almere gaat vanaf nu soepeler om met het afgeven van een briefadres. Een briefadres wordt gebruikt door mensen die géén vaste woon- of verblijfplaats hebben. Voor veel sociale voorzieningen, zoals bijvoorbeeld een uitkering, is het noodzakelijk om een adres te hebben waarop je post kunt ontvangen.

De regels daarvoor zijn de afgelopen jaren strenger geworden om fraude tegen te gaan. Daardoor kwam een groep van zeker honderd Almeerders in de problemen.

Veel mensen die hun huis kwijtraken vallen terug op familie of vrienden. Ze slapen een nacht bij één en dan weer een paar bij de ander. De plek waar iemand het vaakst verblijft werd tot nu toe gezien als woonadres. Met als gevolg dat een postbus krijgen niet mogelijk is.

Inschrijven bij een vriend of familielid waar je regelmatig op de bank slaapt kan vaak ook niet. Zo’n inschrijving heeft namelijk ook gevolgen voor de ander. Die kan bijvoorbeeld gekort worden op zijn huurtoeslag, of moet hogere gemeentelijke heffingen gaan betalen.

Naar aanleiding van een proef zegt de gemeente Almere nu maatwerk te gaan leveren. Met als gevolg dat niet alleen naar de wettelijke regels wordt gekeken, maar ook naar de persoonlijke situatie van iemand.

Bron: Omroep Flevoland

briefadres

Wie voelt zich verantwoordelijk voor dak- en thuisloze jongeren?

https://i1.wp.com/zwerfjongeren.nl/wp-content/uploads/2015/05/vandestraat.jpg?resize=719%2C403

Wie voelt zich verantwoordelijk voor dak- en thuisloze jongeren?

(Door: Derk Loorbach, Kees van Anken en Frank van Steenbergen)

In Nederland staan bijna 9.000 dak- en thuisloze jongeren geregistreerd. Daarnaast zijn er naar schatting nog 15.000 zwervend en een onbekend aantal op straat. In totaal schat het CBS het aantal jongeren dat buiten beeld is (geen school, werk of uitkering) op 140.000. Ondanks alle inspanningen is deze groep de afgelopen twintig jaar weliswaar beter in beeld gekomen, maar lijkt er nauwelijks verbetering op te treden. De hoop is nu dat de huidige decentralisaties, het verschuiven van de verantwoordelijkheid voor zorg, welzijn, onderwijs en participatie naar de gemeenten, de kans bieden dit hardnekkige probleem echt in de kern aan te pakken. De werkelijkheid blijkt echter weerbarstig. 70% van de gemeenten heeft geen zicht op deze groep en haar problemen. En 25% van de gemeenten vindt het niet eens haar taak iets voor deze groep te doen. Hoe kunnen we dit verklaren en doorbreken?

Uitsluiting van jongeren
Het probleem van sociale uitsluiting is van alle tijden, net zoals de bereidheid van maatschappelijke partijen die hier vanuit solidariteit en medemenselijkheid iets aan willen doen. De opvang van dak- en thuislozen is hiervan een heel concrete uiting. Een speciale groep dak- en thuislozen zijn ‘zwerfjongeren’ (tot 23 jaar). Het topje van de ijsberg van jongeren die in problematische omstandigheden opgroeien. Vaak door familieomstandigheden in combinatie met persoonlijke problemen belanden zij op straat. Ze lopen in een cruciale levensfase achterstanden op die hun hele leven doorwerken. Er zou de samenleving dan ook alles aan gelegen moeten zijn om deze jongeren zo goed mogelijk op te vangen, ze nieuw perspectief te laten vinden en volwaardig burger te laten worden.
Dit is makkelijker gezegd dan gedaan. Uit de vele praktijkvoorbeelden blijkt dat problemen van dakloze jongeren in het ene domein zich vaak vertalen in problemen in het andere domein.
Een problematische thuissituatie leidt vaker tot negatieve schoolresultaten en schooluitval. Ruim de helft van de jongeren die in de opvang terecht komen kampen met schulden die niet zelden oplopen tot tienduizend euro en meer. Als jongeren eenmaal schulden hebben dan wordt het helemaal lastig. Uitstroom uit een opvangvoorziening is bijna niet te doen vanwege de kosten van betaling van borg, kamerhuur en inrichting. Om in aanmerking te komen voor schuldhulp is een stabiel inkomen, een stabiele woonplek en voldoende aflossingscapaciteit nodig. Maar als jongeren al een baan vinden is dat meestal onvoldoende om van te leven, laat staan om schulden van af te lossen. Studeren en schuldhulpverlening gaan ook niet samen omdat schuldeisers willen dat je je schuld aflost en dus om die reden niet in aanmerking komt voor studiefinanciering Ook al zal een diploma uiteindelijk de kansen op een baan en dus de aflossingscapaciteit verhogen.
UITDAGING: We dagen gemeenten uit om 10 jongeren in een kwetsbare positie met uiteenlopende problematiek binnen de gemeente aantoonbaar en blijvend van de straat te houden en perspectief te bieden.
Jongeren blijven zo noodgedwongen vaak van plek naar plek zwerven. Zonder adres is inschrijven in de basisadministratie van de gemeente niet mogelijk. Wanneer iemand geen adres heeft en dus niet ingeschreven staat in de BRP is er geen recht op bijstand, is het niet mogelijk een zorgverzekering af te sluiten, zich in te schrijven bij een opleiding, studiefinanciering aan te vragen en kun je ook geen toeslagen aanvragen bij de belastingdienst. Als je geen beroep kunt doen op de sociale basisvoorzieningen dan is het einde zoek.
Ontsnappen aan dergelijke vicieuze cycli blijkt schier onmogelijk voor jongeren: Door het beperkte perspectief is de jongere niet gemotiveerd naar de toekomst toe. Dat maakt het inzetten van een persoonsgericht traject lastig, er moeten kleine successen behaald worden om motivatie bij de jongeren te kweken en vast te houden.

Huidige systeem houdt uitsluiting in stand
Uit discussies met koplopers en veranderaars in het veld wordt duidelijk dat de hardnekkigheid van deze problematiek voor een groot deel te verklaren valt door de manier waarop onze samenleving is ingericht. Het blijkt dat 50% tot 60% van de zwerfjongeren een voorgeschiedenis heeft in de jeugdzorg of Kinderbescherming. En daardoor te maken heeft met beperkte zelfredzaamheid in de samenleving waardoor gevoeliger voor schulden, uitval in het onderwijs, werkloosheid en problemen met huisvesting. Dit besef lijkt langzamerhand breder door te dringen getuige de toenemende aandacht voor de groep zowel in de media (neem de uitzending van Nieuwsuur van zondagavond 19 juli jl) als vanuit de nationale overheid (bijvoorbeeld het recente rapport ‘Jongeren buiten beeld’ van de inspectie van het ministerie van SZW).
De structuren die we hebben ontwikkeld om sociaal kwetsbaren op te vangen zijn vanuit de systeemwereld opgetuigd. Een wereld waarin de huidige systeemregels en -routines eerder uitsluiten en afschuiven in stand houden dan oplossen. Door de schotten en gedeelde verantwoordelijkheden tussen de diverse domeinen wordt het lastig om een probleem bij de wortel aan te pakken. Voor elk probleem bestaat een afgebakend institutioneel veld (beleid, regels, wetten, loketten, organisaties, werkwijzen etc.). Maar zo werkt het voor jongeren met multi problemen niet: schulden, verslaving, geen dak boven het hoofd, een diploma halen, jezelf kunnen redden etc. hangt in hun dagelijkse leven allemaal met elkaar samen.
Daarbij bestaan er ook diverse perverse prikkels. Zo moet voor elk probleem een indicatie worden afgegeven anders ontvangt niemand financiering. En scholen worden afgerekend op diploma’s en moeten dus uitval of vertraging voorkomen; binnen de jeugdzorg houdt de verantwoordelijkheid op bij 18; telecomaanbieders willen abonnementen verkopen. Zo houdt ieder domein zijn of haar straatje schoon, maar vallen de jongeren tussen wal en schip of worden zij slachtoffer van de verschillende motieven en bedoelingen die iedere sector of elk bedrijf nu eenmaal heeft.

Voorbij de opvang
Het gaat hier om een fundamentelere en een bredere opgave dan alleen de opvangsector.
Uit een historische transitieanalyse van de problematiek komt duidelijk het beeld naar voren van een opvangsector die als het ware met de kraan open aan het dweilen is. Een sector die van oorsprong reactief is en ondanks haar tomeloze inzet en bevlogenheid, de hardnekkigheid van dit sociale dilemma niet zonder anderen en in samenhang kan doorbreken. Zowel de jongeren zelf als de opvangsector zitten gevangen in een vicieuze cirkel: de opvang kan de jongeren niet het gewenste perspectief bieden en ook niet alleen de onderliggende oorzaken wegnemen. Hierdoor komen jongeren niet verder en lopen (ook) als ze ouder zijn de kans steeds weer terug te vallen op opvang of andere vormen van hulp. Er is sprake van een wederkerige afhankelijkheid waarbij de opvang bestaat bij de gratie van ‘probleemgevallen’ en waarin jongeren weinig ander perspectief hebben dan een beroep doen op steun.

PROEFVELD ONDERWIJS
Recent is met ondersteuning van het ministerie van OCW het proefveld onderwijs regio Noord gestart, waarbij in de context van de bredere discussie van modulair onderwijs op maat gezocht wordt naar een nieuw (samenwerkings)model. In Leeuwarden en Groningen hebben gemeenten, MBO-onderwijsinstellingen en de opvang- en jeugdhulpsector de handen ineen geslagen om vanuit een eerste groep jongeren te kijken hoe deze groep weer ‘ingesloten’ kan worden. Dit vereist een bijna individuele benadering en begeleiding, een grote mate van flexibiliteit van het onderwijssysteem en haar financieringen een verandering van denken en waarderen vanuit de onderwijsinspectie.

Geen blauwdruk
In de opvangsector zelf is al langer het bewustzijn dat deze ‘end-of-pipe’-oplossing niet werkt. In het transitieprogramma Van de Straat (PDF) wordt gezocht naar manieren om de kennis van de problemen aan te wenden om tot meer fundamentele veranderingen te komen. Het wrange is dat veel van de bovengenoemde problemen zijn ontstaan doordat we de verschillende domeinen in de loop van de tijd intern en efficiënt zijn gaan organiseren. Maar hierdoor stagneert juist de uitwisseling en samenwerking over de grenzen van de domeinen heen. En het maakt dat nu niemand echt verantwoordelijk is voor die maatschappelijke uitval. Dit terwijl de maatschappelijke schade ervan vele malen groter is dan de winst die door efficiency is behaald. Het is duidelijk dat het doorbreken van de ingesleten routines en cultuur in onderwijs, huisvesting, werk en inkomen en zorg extreem complex is en niet vanuit de opvang alleen of via een soort blauwdruk opgelost kan worden. De noodzakelijke veranderingen zijn niet af te dwingen via nieuw beleid of blauwdrukken. Sterker nog, de beleidsreflex zit de geschetste transities eerder in de weg.

Systeemverandering vanuit de leefwereld
Wanneer we naar de praktijk kijken, meer specifiek de leefwereld van kwetsbare jongeren, dan vloeit hierin per definitie alles samen. Het vertrekpunt zou moeten zijn om vanuit jongeren en hun leefwereld opnieuw te gaan bouwen aan doorbraken op duurzame oplossingen. Rond thema’s als wonen, leren, werken en leven ontstaan momenteel nieuwe coalities en initiatieven. Tegelijk zijn al jarenlang van onderaf koplopers in bijvoorbeeld het MBO-onderwijs in samenwerking met gemeenten aan het werk met alternatieven. Ook biedt het huidige proces van decentralisatie van zorg, onderwijs, participatie en welzijn gemeenten en haar partners de kans om doorbraken te helpen realiseren. Juist hierbij zou de landelijke overheid moeten aansluiten en op basis hiervan regels aanpassen, financiële stromen bundelen, afrekencriteria wijzigen en dogma’s ter discussie stellen. Niet op basis van incidenten of individuele gevallen, maar vanuit een systematische analyse en experimenteerstrategie. Dit betekent ook dat er niet gewerkt zou moeten worden aan nieuw beleid, maar aan een andere mentaliteit. Een mentaliteit, die bestaat uit het met de jongere willen oplossen van het geheel aan problemen en die dus gestuurd wordt vanuit de vraag en de leefwereld van de betrokken jongere zelf. Het leveren van maatwerk en een domein-overstijgende, integrale aanpak zijn daarin sleutelbegrippen.

Lerend experimenteren in de praktijk
In de praktijk zijn diverse initiatiefnemers hard bezig met de zoektocht naar integrale oplossingen die over de grenzen van de domeinen heen gaan. Binnen Van de Straat, opgezet vanuit de opvangsector, wordt nu ingezet op doorbraakexperimenten. Ze zijn, samen met onderwijs, zorginstellingen, zorgverzekeraars en gemeenten, bezig met systeemexperimenten. Bijvoorbeeld onderwijs op maat: analoog aan topsportonderwijs het faciliteren van individuele leertrajecten voor jongeren waarbij de financiering direct van de gemeente naar de onderwijsinstelling gaat. Of van schulden naar leergeld: het stabiliseren van de schulden om het leven op orde te brengen en een ontwikkelingsplan uit te stippelen. Het overbruggen van de barrière in de jeugdzorg tussen 18- en 18+ met een doorlopende stabiele (een jongere, een coach) en integrale ondersteuning, coaching of begeleiding. En recht op onderdak: het zorgen voor betaalbare huisvesting gekoppeld aan onderwijs en werk.
Deze jongeren zijn immers de uitzondering op de regel en het reguliere aanbod. De gedeelde ambitie is dan ook om dat vooral te benaderen als een kans om de jongeren met hun eigen talenten en kwaliteiten een perspectief en een plek te geven. Probeer ze dan ook niet te vangen in het systeem, maar creëer ruimte voor die uitzonderingen. Vanuit de experimenten ontstaat zo al-doende-lerend een steeds scherper inzicht in het disfunctioneren van het huidige systeem en ook hoe het wel zou kunnen. Dat het hierbij niet alleen gaat om ruimte en aanpassing van de regels en structuren, maar ook over een gezamenlijke cultuurverandering.

Decentralisatie als lakmoesproef
Uit interviews en discussies met vernieuwers op dit gebied in de afgelopen jaren komt duidelijk naar voren dat de rol van de gemeente een cruciale is. De huidige regiefunctie van de gemeenten gekoppeld aan de financiële controle maakt het mogelijk een nieuwe richting in te slaan binnen het sociale domein. De gemeente is de aangewezen partij omdat het domein zelf, van jeugdhulp tot welzijn en van opvang tot onderwijs, een belang lijkt te hebben bij het in stand houden van de problematiek. Juist omdat financiering is gebaseerd op kwantiteit en productie (end-of-pipe) en het sociale domein zo is gestructureerd dat iedere partij slechts voor een klein deel verantwoordelijk is, is het niet in het belang van individuele partijen om de problemen echt fundamenteel op te lossen. De vraag is echter of gemeenten nu al de inhoudelijke ambitie, scherpte en benodigde competenties hebben om deze doorbraken te kunnen realiseren. In Van de Straat spelen de gemeenten Amsterdam, Groningen, Leeuwarden en Rotterdam een belangrijke rol. Zij steunen deze visie en geven er met Van de Straat ook actief invulling aan.
Grijpen gemeenten de kans aan om de financiën en sectoren te ontschotten? Om de benodigde integraliteit te realiseren en om aansluiting te vinden bij de menselijke maat: de leefwereld van de jongeren zelf? Het is ten slotte de taak van de gedecentraliseerde verzorgingsstad/-regio om fundamentele basisrechten als onderdak, toegang tot onderwijs en sociale zekerheid te vervullen. Deze verantwoordelijkheid wordt nu vooral vertaald in eigen kracht, een sterker sociaal netwerk en wijkgericht werken, maar juist een groep als de kwetsbare jongeren heeft hier weinig aan en mist hierdoor de aansluiting met structurele uitsluiting als gevolg. Daarbij zijn jongeren veelal niet op de hoogte van hun rechten als burger en zorgafnemer.

Doorpakken en doorbreken
Nu uit recent onderzoek blijkt dat 70% van de gemeenten geen zicht heeft op deze groep jongeren en haar problemen en 25% van de gemeenten het niet eens haar taak vindt om iets voor deze groep te doen, is dat bewust georganiseerde uitsluiting. Vooral omdat vanuit de leefwereld direct doorgepakt kan worden. Jongeren hebben nog een heel leven voor zich en moeten daarom de kans krijgen hun talenten en mogelijkheden te ontdekken en te ontwikkelen. In plaats van (soms levenslange) kosten voor opvang, zorg, politie, justitie, sociale diensten is het beter om te investeren in persoonlijke ontwikkeling, perspectief en duurzame oplossingen voor deze jongeren. Sterker nog, het is een maatschappelijke schande dat we deze groep nu al jaren stelselmatig in de kou laten staan. Tegen het licht van de huidige decentralisaties is het dan ook hoog tijd om als gemeente de nek uit te steken en brede maatschappelijke steun te zoeken. Om doorbraakcoalities te organiseren. Om partijen in het sociale domein uit te dagen over hun schaduw heen te stappen en aansluiting te zoeken bij aanpalende domeinen. Nu is de tijd rijp om concreet invulling te geven aan de decentralisaties.

http://zwerfjongeren.nl/van-de-straat/wie-voelt-zich-verantwoordelijk-voor-dak-en-thuisloze-jongeren/
De Coalitie ‘Van de Straat’ zoekt nieuwe wegen naar duurzame oplossingen voor dak- en thuisloze jongeren gericht op toekomstkansen. Het programma wordt (financieel) ondersteund door Skanfonds, VWS en OCW. Van de Straat werkt samen met Drift, Instituut Transitiemanagement, Erasmus Universiteit.

logoSzn